Supplementen ontcijferd
Wat mag er wettelijk over een potje worden beweerd, hoeveel mag erin, wat is erover bekend, en waar loopt Nederland uiteen met België? Zeven tools, dezelfde bronnen, en overal het onderscheid tussen wat is aangetoond en wat wordt gezegd.
“Wij zoeken niet naar symptomen, maar naar de onderliggende oorzaak.”
Dit is een eerlijke wens en vaak een terechte kritiek op tien minuten spreekuur. De vraag die deze site stelt is dan ook niet of die belofte oprecht is. De vraag is met welke methode je een oorzaak vaststelt, en of die methode dat kan.
“Je haalt het tegenwoordig niet meer uit je voeding.”
Dit is de meest gebruikte verkoopzin in deze hele markt. Hij is in Nederland én in België uitdrukkelijk verboden op een voedingssupplement — en het potje ernaast is verplicht om het tegendeel te vermelden. Draai het om.
Kun je iemand vertrouwen die supplementen adviseert?
Niet op grond van een titel, een keurmerk, een beroepsvereniging, een vergoeding, een opleiding op hbo-niveau of zelfs een BIG-registratie. Die zeggen iets over opleiding en aanspreekbaarheid. Ze zeggen niets over de vraag of de gebruikte methode wetenschappelijk is onderbouwd. Dat geldt voor een orthomoleculair behandelaar, en even goed voor een schoonheidsspecialist, een huidtherapeut of een webshop met een adviespagina.
Lees de volledige toelichting
Afzonderlijke adviezen kun je vertrouwen wanneer de indicatie, de test, de dosering en de verwachte werking onafhankelijk zijn onderbouwd. Wees terughoudend wanneer een behandelaar onbewezen tests gebruikt, bij vrijwel iedereen tekorten of disbalansen vindt, hoge doseringen adviseert, of zelf verdient aan de producten die hij aanraadt.
Supplementen kunnen wel degelijk zinvol zijn: bij een erkende risicogroep, een vastgesteld tekort of een andere duidelijke medische indicatie. Bespreek zulke adviezen bij twijfel met je huisarts, apotheker of diëtist, en stop nooit op eigen initiatief met een voorgeschreven behandeling.
Wetenschappelijk
Meet of doet een methode wat erover wordt beweerd? Dat beantwoorden Wat werkt er? en de Testcheck.
Professioneel
Past de handeling binnen de deskundigheid, de opleiding en het toezicht van wie haar verricht? Dat is de Praktijkcheck.
Juridisch
Wat mag er bij verkoop, reclame en gezondheidsclaims? Dat zijn de Claimcheck en de Doseringscheck.
Die drie lopen in dit veld voortdurend door elkaar, en zij volgen niet uit elkaar. Een verboden claim is niet automatisch onjuist, en een onvoldoende gevalideerde test is niet automatisch verboden. Elke tool hieronder beantwoordt één van de drie, en de volgorde is niet willekeurig: de wetenschappelijke vraag komt eerst.
De tools
De wetenschapper die de term introduceerde, schreef het zelf in 1968
Linus Pauling introduceerde de term orthomoleculair in 1968 in het artikel Orthomolecular Psychiatry, gepubliceerd in Science. Hij bouwde daarbij voort op eerder werk van anderen. Ortho is Grieks voor juist; letterlijk gaat het dus om de juiste moleculen. Pauling omschreef het als het verschaffen van de optimale moleculaire omgeving, en in het bijzonder van optimale concentraties van stoffen die normaal in het lichaam aanwezig zijn. Later verbreedde hij dat van psychiatrie naar geneeskunde in het algemeen.
Voeding levert het optimum niet
In de samenvatting van dat artikel staat dat de optimale concentraties van die stoffen voor een persoon sterk kunnen verschillen van de concentraties die zijn normale voeding levert. Daar staat het dus: de zin die vandaag de meest gebruikte verkoopzin in deze markt is, is geen moderne marketingvondst maar de oprichtingspremisse, van de oprichter, in een van de belangrijkste wetenschappelijke tijdschriften ter wereld.
Let hier op het verschil tussen een hypothese en een verkoopzin. Paulings individuele hypothese is niet hetzelfde als de algemene commerciële bewering die de Europese claimverordening verbiedt. Wordt zij in een verkooptekst vertaald naar de boodschap dat een evenwichtige, gevarieerde voeding tegenwoordig in het algemeen onvoldoende voedingsstoffen levert, dan botst die formulering met artikel 3 onder d.
Een optimum, en de vraag hoe je het vaststelt
Pauling stelt in de samenvatting dat voor individuele personen verschillende optimale concentraties kunnen bestaan. In die samenvatting wordt echter geen operationele methode beschreven waarmee zo’n persoonlijk optimum kan worden vastgesteld. Omdat het volledige artikel voor deze versie nog niet is ingezien, kan hier niet worden geconcludeerd dat die methode nergens in het artikel wordt besproken.
Voor vitamine C betoogde hij dat het optimum tien tot honderd keer hoger ligt dan de hoeveelheid die scheurbuik voorkomt. Zijn zeer ruime claims over vitamine C werden later maar gedeeltelijk bevestigd. Regelmatige inname voorkomt in de algemene bevolking geen verkoudheden, al is gemiddeld een bescheiden verkorting van de ziekteduur gevonden. Bij kanker vonden twee gerandomiseerde onderzoeken met orale vitamine C geen voordeel voor klachten, functioneren of overleving. Intraveneuze vitamine C is een afzonderlijk en nog niet afgerond onderzoeksgebied.
Drie dingen die vooraf handig zijn
Verboden, tenzij toegelaten
Er is geen lijst van verboden claims die je moet kennen; er is een lijst van toegelaten claims, en alles daarbuiten mag niet. De officiële bewoording hoeft niet letterlijk te worden overgenomen, zolang de betekenis voor de consument gelijk blijft. Voor plantenclaims geldt een aangehouden tussenstand.
Legaal is niet hetzelfde als veilig
Rond één stof lopen vijf verschillende grenzen door elkaar. Bij vitamine B6 mag er in Nederland bijna twee keer zoveel in een potje als de veilige bovengrens per dag. Beide getallen kloppen; ze meten iets anders.
Eén potje zegt niets
De veilige bovengrens geldt voor alle bronnen samen: voeding, verrijkte producten en supplementen bij elkaar. Vier producten die ieder netjes onder de grens blijven, kunnen er samen ruim overheen gaan.
Doseringscheck
Vul in wat er per dagdosering in zit en zie waar dat staat: naast het percentage op het etiket, naast wat er wettelijk in mag, en naast de gezondheidskundige grens voor alle bronnen samen. Dat zijn drie verschillende getallen en ze geven regelmatig een verschillend antwoord. Let bij die laatste op het soort grens: voor sommige stoffen is een echte bovengrens vastgesteld, voor andere alleen een veilig innameniveau, en bij fluoride verandert dat zelfs met de leeftijd.
Wat de vijf grenzen zijn
| Grens | Wat het is | Waarvoor je hem gebruikt |
|---|---|---|
| 1 · Gemiddelde behoefte | Wat de helft van een groep nodig heeft | Voor onderzoekers, niet voor een etiket |
| 2 · Aanbevolen hoeveelheid | Wat vrijwel iedereen in een groep genoeg vindt | Voor het beoordelen van een voedingspatroon. Verschilt per land |
| 3 · Referentie-inname | Eén vast getal voor een gemiddelde volwassene | Waar het percentage op de verpakking op slaat. Geen aanbeveling en geen veiligheidsgrens |
| 4 · Nationaal maximum | Wat er wettelijk in een dagdosering mag zitten | Beoordelen of een product legaal is. Verschilt per land |
| 5 · Gezondheidskundige grens | Twee soorten, en het verschil doet ertoe. Een bovengrens is de hoogste inname uit álle bronnen samen waarbij bij langdurig gebruik geen schade wordt verwacht. Een veilig innameniveau wordt afgeleid wanneer de gegevens voor een bovengrens ontbreken: daarboven wordt niet automatisch schade verwacht, maar kan er geen uitspraak over veiligheid meer worden gedaan | Beoordelen of iets verstandig is. Europees, dus gelijk in beide landen. De tool laat per stof en per leeftijdsgroep zien welk van de twee er geldt |
Stapelcheck
De veilige bovengrens gaat over alle bronnen samen. Eén product dat eronder blijft zegt dus niets. Zet hier alles bij elkaar wat er dagelijks in gaat en kijk wat de som doet.
De optelsom per stof
De som wordt afgezet tegen de gezondheidskundige grens: per stof een bovengrens of, waar die ontbreekt, een veilig innameniveau. De regels hieronder benoemen welk van de twee er geldt.
Claimcheck
Het uitgangspunt is precies omgekeerd aan wat de meeste mensen denken. Een gezondheidsclaim is verboden, tenzij hij is toegelaten. Dat verklaart waarom zoveel van wat je online leest niet is toegestaan: niet omdat het onwaar hoeft te zijn, maar omdat het niet is beoordeeld. Twee nuances horen daar meteen bij. De officiële formulering hoeft niet letterlijk te worden overgenomen: een andere bewoording mag, mits die voor de consument dezelfde betekenis houdt, begrijpelijk is, het beoordeelde bewijs correct weergeeft en niet medisch wordt. En voor plantaardige stoffen geldt een uitzondering: de beoordeling van die claims is aangehouden, waardoor ze niet als toegelaten en niet als afgewezen op de lijst staan en in de praktijk worden gedoogd.
Staat het op de lijst?
Een gezondheidsclaim moet zijn toegelaten, aan de gebruiksvoorwaarden voldoen en dezelfde betekenis voor de consument behouden. Letterlijk overnemen hoeft niet. Plantenclaims zijn het grijze gebied: aangehouden, dus niet toegelaten en niet afgewezen.
Gaat het over een ziekte?
Dan mag het nooit. Een product dat zo wordt gepresenteerd is juridisch een geneesmiddel.
Zegt het dat eten tekortschiet?
Dan mag het niet. Dat verbod staat apart, in de supplementenregeling zelf. In beide landen.
Kom je er met deze drie niet uit, dan is het antwoord meestal dat het niet mag.
Het overzicht
Wat er wordt geroepen, of dat mag, en welke regel dat bepaalt.
Oefening: mag dit gezegd worden?
Tien formuleringen zoals ze voorkomen. Raad eerst zelf, lees daarna welke bepaling erover gaat.
Vijf beginselen die voor élke claim gelden
Naast de vraag of een claim op de lijst staat. Een claim mag niet:
- onjuist, dubbelzinnig of misleidend zijn;
- twijfel zaaien over de veiligheid of de voedingskundige geschiktheid van andere levensmiddelen;
- excessieve consumptie stimuleren of vergoelijken;
- stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden — met één opening die er in de tekst zelf bij staat: er kunnen afwijkingen worden toegestaan voor nutriënten die niet in voldoende hoeveelheden in een evenwichtige, gevarieerde voeding voorkomen, via de comitéprocedure en met inachtneming van de bijzondere omstandigheden in lidstaten;
- met tekst of beeld zinspelen op veranderingen in lichaamsfuncties die vrees kunnen oproepen, of op vrees inspelen.
Het vierde is hier het belangrijkste: het verbod om te beweren dat gevarieerde voeding tekortschiet staat dus twee keer. Het vijfde dekt een veelgebruikte verkooptechniek af — een tekst die eerst uitlegt wat er misgaat als je iets niet neemt, valt eronder, ook zonder dat er een verboden claim in staat.
Wie het zegt: schijnautoriteit herkennen
Woorden als instituut, academie, kenniscentrum, research en foundation zijn niet beschermd; iedereen mag ze in een naam zetten. Hetzelfde geldt voor wetenschapper, deskundige of expert. Er is geen register en geen toets. Wat wél te controleren is, is of er iets achter zit.
- Bestaat de organisatie? Een inschrijving, een adres, een bestuur, een jaarverslag. Een instituut dat uit één persoon en een website bestaat is geen instituut, hoe het ook heet.
- Zijn er publicaties, en waar staan ze? Werk dat alleen op de eigen site staat, is niet door anderen bekeken.
- Waar komt de titel vandaan? Een opleiding die door de organisatie zelf wordt gegeven en door haarzelf gecertificeerd, is een cirkel.
- Staat er een vindplaats bij de getallen? Bij „een groot deel van de bevolking heeft een tekort” hoort een bron met een jaartal.
- Wordt er iets verkocht dat uit het advies volgt? Dan stelt dezelfde partij het probleem vast en verkoopt zij de oplossing.
- Hoe wordt er op kritiek gereageerd? Wie tegenwerping presenteert als tegenwerking, verplaatst de bewijslast naar de criticus.
Waar je een claim kunt melden
Eén melding leidt zelden tot direct optreden; veel meldingen over hetzelfde verschijnsel wel. Het toezicht werkt deels projectmatig, en meldingen bepalen mede wat er in een volgend onderzoek wordt meegenomen.
Testcheck
Rond eczeem, acne en haarverlies bestaat een aanbod van testen dat je in de reguliere zorg niet tegenkomt. Dit gaat niet over aanbieders maar over wat de methode meet, want aanbieders wisselen en methoden niet.
Beoordeel elke methode met dezelfde vier vragen
De derde is bij dit soort aanbod telkens de beslissende, en hij wordt zelden gesteld.
De zes methoden
Eén haar, zes laboratoria
Onderzoekers namen bij één gezonde vrijwilliger één haarmonster, splitsten dat en stuurden de delen naar zes commerciële laboratoria die samen negentig procent van de Amerikaanse markt bedienden. Hetzelfde haar, van dezelfde persoon, op hetzelfde moment geknipt. Bij twaalf mineralen scheelde de hoogste en de laagste gerapporteerde waarde meer dan een factor tien.
Blijft het advies hetzelfde, dan heeft de test niets toegevoegd behalve een rekening. Verandert het advies, dan is de vervolgvraag welk onderzoek die verandering rechtvaardigt.
Wat werkt er, en hoe zeker is dat?
Twee vragen die vaak op één hoop gaan, en die hier uit elkaar staan: welke kant wijst het onderzoek op, en hoe zeker is dat. Zonder dat onderscheid krijgt een middel dat nauwelijks is onderzocht dezelfde score als een middel dat grondig is onderzocht en niets bleek te doen. Dat zijn tegengestelde situaties.
Richting van het effect
| Voordeel gevonden | Er is een effect gevonden. Hoe zeker dat is, staat in kolom 2. |
| Wisselend | De onderzoeken spreken elkaar tegen, of het effect verdwijnt bij strengere analyse. |
| Geen relevant voordeel | Er is wél gezocht en er is geen voordeel van betekenis gevonden. Dit is iets anders dan onbekend. |
| Te weinig onderzocht | Te weinig onderzoek bij mensen om iets te kunnen zeggen. Dit betekent niet dat het niet werkt, en ook niet dat het werkt. |
Zekerheid van het bewijs
| zeer laag | Alleen een mechanisme, of enkele kleine, ongecontroleerde of belanghebbende onderzoeken. |
| laag | Interventieonderzoek bij mensen, maar klein, van lage kwaliteit of niet onafhankelijk herhaald. |
| redelijk | Consistent interventieonderzoek met beperkingen, of nog niet bevestigd in deze doelgroep. |
| hoog | Meerdere goed uitgevoerde onderzoeken die dezelfde kant op wijzen, samengevat in een systematisch overzicht. |
Acne: het volledige beeld per middel
Bij acne is de richtlijn ongewoon duidelijk en heeft zij de studies al gewogen. Van geen enkele dieetmaatregel is enige invloed overtuigend aangetoond; over de meerwaarde van supplementen kan de werkgroep geen antwoord geven omdat de gerandomiseerde onderzoeken ontbreken. Wat de richtlijn wél aanbeveelt is een gezond, uitgebalanceerd voedingspatroon — en dat is het enige voedingsadvies waarvoor dat geldt.
Twee getallen die rondzingen en niet kloppen
Collageen werkt vanaf zes gram per dag
Die drempel bestaat niet. Zij staat in verkoopteksten en zelfs in vakartikelen, mét een verwijzing erbij, maar in de opgegeven literatuur is zij niet terug te vinden. Let op wat dat betekent: er staat een bron bij, en de claim is toch onjuist. Een verwijzing controleren is iets anders dan zien dát er een verwijzing staat.
De ferritinedrempel bij haarverlies
De drempelwaarde die in de praktijk circuleert, is omstreden. Onderzoek dat de aanname rechtstreeks toetste — ijzer toegevoegd aan de standaardbehandeling — vond geen meerwaarde. Dat betekent niet dat ijzer er niet toe doet: een echt ijzertekort mét bloedarmoede is een erkende oorzaak van haarverlies en hoort te worden vastgesteld en behandeld.
Nederland & België
De wetenschap is dezelfde. De regels zijn dat niet altijd. Wat Europees is geldt woordelijk in beide landen; wat nationaal is loopt op vier punten uiteen, en één daarvan is geen detail maar een ander uitgangspunt.
- Alle wetenschap. Een onderzoek naar zink bij acne verandert niet als je de grens oversteekt.
- De definitie van een voedingssupplement.
- De regels over gezondheidsclaims en medische claims.
- De etiketteringsregels en de toegestane afwijking tussen etiket en inhoud.
- De veilige bovengrenzen, want die zijn Europees afgeleid.
- Het verbod te beweren dat gevarieerde voeding tekortschiet. In Nederland via het Warenwetbesluit, in België via het koninklijk besluit, en boven allebei via de claimverordening.
- Beroepskaders. Het grootste verschil. Wie wat mag signaleren, adviseren of aanvragen is nationaal geregeld en loopt sterk uiteen.
- Nationale maxima. Hoeveel er van een stof in een supplement mag zitten. Nederland regelt drie stoffen, België tweeëntwintig.
- Notificatie. België kent een meldingsplicht vóór marktintroductie, met een nummer op de verpakking. Nederland niet.
- Toezicht en adviesorganen. Andere toezichthouders, en aanbevolen hoeveelheden van een eigen adviesorgaan per land.
Wat er wettelijk in een potje mag
Dit is grens 4 van de vijf: een handelsgrens, geen gezondheidsgrens. Nederland kent maar voor drie stoffen een maximum en verder niets; België legt er tweeëntwintig vast. Waar een streepje staat, geldt alleen de algemene eis dat een product veilig moet zijn.
Belgische waarschuwingen die Nederland niet kent
Vier waarschuwingen die aan een dosering hangen. Ze zijn nuttig om te kennen, want ze wijzen op risico's die ook buiten België gelden.
De Nederlandse waarschuwingen die de dosering verraden
Dit is het praktischste dat de Nederlandse regeling te bieden heeft. Artikel 5 schrijft vaste leeftijdswaarschuwingen voor die aan een dosering hangen. Daardoor kun je aan de tekst aflezen in welke orde van grootte het product zit, ook als het percentage op de verpakking niets zegt. Het geldt niet alleen voor vitamine B6, maar ook voor vitamine A en vitamine D.
Aanbevolen hoeveelheden: waar het werkelijk uitmaakt
Twee commissies hebben dezelfde onderzoeksliteratuur gelezen en een andere afweging gemaakt, en soms een andere vraag beantwoord. Vitamine C is het duidelijkste voorbeeld: Nederland rekent met de hoeveelheid die een tekort voorkomt, België met de hoeveelheid die de antioxiderende werking in stand houdt. Hetzelfde bewijs, een ander doel, een ander getal. Het hogere getal is dus niet het betere getal — het is het getal dat bij een andere vraag hoort.
Bij de overige stoffen overlappen de landen of schelen ze zo weinig dat het voor een beoordeling zelden iets verandert. Jodium staat in beide landen op 150 microgram en selenium op 70. Voor kalium en magnesium is er geen Belgisch getal om naast te zetten; het Belgische advies gaat over vitamines en sporenelementen.
En het verschil dat het verst gaat: mag je het eigenlijk wel?
Dit gaat niet over producten maar over handelingen, en hier lopen de twee stelsels fundamenteel uiteen.
Praktijkcheck
Voor wie bij een behandelaar komt of er zelf een is, in welke discipline dan ook: is deze praktijk deugdelijk ingericht? Let op dat woord. Deze check kijkt naar de organisatie en naar wat er wordt beweerd, niet naar de vraag of de methode werkt. Die vraag staat bij Wat werkt er? en bij de Testcheck, en dáár begint het antwoord. Je krijgt hier geen cijfer, maar een lijst met bevindingen en een setje vragen om mee te nemen.
Je bevindingen
Regelcheck
Vijf blokken, en ze schakelen mee met wat je doet. De verplichtingen hangen aan de handeling en niet aan een titel, een opleiding of een lidmaatschap. Dit blad is dus niet voor één beroepsgroep: het geldt voor iedere praktijk die onderzoekt, test, verkoopt of iets over een product zegt. Wie nergens bij is aangesloten valt er even goed onder, meestal zelfs met minder hulp bij het regelen ervan.
Het hele stuk
Dit is een toetsing van suppletie-advies en supplementverkoop, met de orthomoleculaire praktijk als best gedocumenteerde voorbeeld. Dat onderscheid is niet cosmetisch: het bepaalt wie zich aangesproken moet voelen.
Deel I is de casus
Het optimumbegrip, de vier tests, foliumzuur als kroongetuige. Dit gaat specifiek over één leer en over niets anders.
Deel II beschrijft een sector
De accreditatieketen, de private tuchtcolleges, het woord erkend. Eén vereniging is hier het voorbeeld, niet het onderwerp.
Deel III geldt voor iedereen
Wie een supplement verkoopt of erover schrijft, valt onder het levensmiddelenrecht. Ongeacht titel, opleiding of lidmaatschap.
De orthomoleculaire praktijk, kritisch bekeken
Een beoordeling van een leer en van een praktijk, niet van de mensen die haar uitoefenen
Peildatum van de juridische passages: 27 juli 2026. Zie de verantwoording achterin voor de status van elke bron.
Samenvatting op één pagina
Wat er deugt. De tijd die men neemt, het doorvragen op voeding en leefstijl, en het serieus nemen van klachten die niet in een diagnose passen. Daarbij één inhoudelijk correct argument: een gemiddelde kan een sterk effect bij een kleine subgroep uitmiddelen, zeker wanneer een onderzoek daar niet op is ontworpen.
Waar het scharniert. Dat een gemiddelde iets verbergt, is een reden om te zoeken en geen bewijs dat het er is. De vraag is dus met welke methode je vaststelt dat déze persoon tot die groep behoort.
De tests leveren die vaststelling niet. Hetzelfde haarmonster levert bij zes laboratoria uitslagen die een factor tien uiteenlopen en tegenstrijdige adviezen. De IgG-test meet blootstelling, en de subklasse IgG4 juist tolerantie, dus grofweg wat iemand eet en niet wat zij niet verdraagt. Bij levend bloedonderzoek zijn de interpretaties niet gevalideerd en is de reproduceerbaarheid laag. Bij darmflora-onderzoek ontbreekt het normaalbeeld waartegen een uitslag zou moeten worden afgezet. Eén vraag legt bij alle vier de zwakke plek bloot: wat zou u anders adviseren als de uitslag omgekeerd was geweest?
Drie bezwaren. Het begrip optimum is nooit ingevuld en er is geen methode om het te bepalen. Het eigen kroongetuige-voorbeeld, foliumzuur, bewijst juist het tegendeel. En de kernbewering mag als commerciële claim bij een product niet worden gedaan.
Het juridische deel, waar de grond het hardst is. Een supplement is een levensmiddel, dus wie verkoopt is exploitant van een levensmiddelenbedrijf met registratie-, traceerbaarheids- en meldplichten. De claimregels verbieden uitdrukkelijk de bewering dat gevarieerde voeding tekortschiet — het uitgangspunt dat in de onderzochte bronnen terugkeert — maar wel binnen hun bereik: commerciële uitingen bij een product, niet elke uitspraak in een spreekkamer of een debat. Zij verbieden ook het verwijzen naar de aanbeveling van een individuele beroepsbeoefenaar, dus een naam of foto die bij een claim als persoonlijke aanbeveling werkt. En wie zegt dat een product een aandoening behandelt, brengt een geneesmiddel zonder vergunning in de handel.
De ironie die het afmaakt. De wet verplicht de fabrikant om op elk potje te zetten dat het geen vervanging is van gevarieerde voeding. De kernstelling wordt dus tegengesproken door een zin die verplicht op het eigen product staat.
Hoe het dan wél gaat. In de reguliere zorg begint een aanbeveling bij een uitgangsvraag, een systematische literatuurzoektocht en een beoordeling op vertekening; de zekerheid van het bewijs wordt apart gegradeerd van de sterkte van de aanbeveling; er volgt een commentaarfase en autorisatie; en elk werkgroeplid publiceert zijn belangen over drie jaar terug. Bij de vier tests in dit stuk gebeurt geen van die dingen. Dat is het eigenlijke verschil, en het is een verschil in procedure en niet in overtuiging.
Over het toezicht, en dit is eerlijker dan de gangbare kritiek. Er ís een beroepscode, en die is strenger dan de praktijk eronder — al is zij op de site van de vereniging zelf niet te vinden en circuleren er twee ongedateerde versies op praktijkwebsites, die onderling verschillen. Er is een privaat tuchtcollege, en de code is er een toetsingsnorm. Maar het is geen wettelijk tuchtrecht: de zwaarste sanctie raakt een lidmaatschap en niet het beroep. Uitschrijven is overigens géén uitweg — het reglement houdt iemand aanspreekbaar voor handelen tijdens de inschrijving — maar de sanctie verliest er wel haar bite mee, want doorhaling van een registratie die je al hebt verlaten stelt weinig voor. De gepubliceerde selectie gaat overwegend over gedrag, en er zitten wél inhoudelijke oordelen over behandelmethoden tussen; in de door mij onderzochte uitspraken vond ik geen zaak waarin de juistheid van een commerciële test of productclaim centraal stond.
Over de opleidingen. Elke route naar het lidmaatschap verlangt een medische basis op hbo-niveau, en dat is meer dan veel van de sector vraagt. Maar let op het woord níveau: het gaat om werken en denken óp dat niveau en niet om een door de overheid erkend diploma, en het register rekent daarbij zelfs praktijkuren om in studiepunten. De vakopleidingen zijn echter geaccrediteerd door private instituten die de normen van het hoger onderwijs lenen, niet door de instantie die ze stelt. De vraag is dus niet óf een opleiding erkend is, maar door wie, en of die partij buiten de kring staat die zij beoordeelt.
Wat er niet in staat. Geen oordeel over individuele behandelaars, geen schadegevallen, geen pleidooi voor een verbod. Alles is getoetst aan documenten, en achterin staat per bron hoe ver die controle reikte — tot en met de vraag welke artikelen ik zelf heb kunnen openen en welke niet. Waar het beeld ongunstig uitvalt, komt dat door de stukken en niet door de toon.
Voor wie dit is, en hoe je het leest
Dit stuk is geschreven voor drie lezers. Voor de behandelaar die deze vragen in haar spreekkamer krijgt en wil weten wat zij feitelijk kan zeggen. Voor de opleider die uitlegt hoe het veld in elkaar zit. En voor de redactie die overweegt er iets over te schrijven en behoefte heeft aan controleerbare grond.
Het valt uiteen in vijf delen, en zij zijn los van elkaar te lezen.
Deel I gaat over de inhoudelijke uitgangspunten: wat er deugt, waar het scharnier zit, en welke drie bezwaren overblijven. Deel II gaat over de organisatie eromheen: de beroepscode, de opleidingen, en het toezicht. Deel III gaat over het recht, en daar is de grond het hardst. Deel IV gaat over de context en over het gesprek zelf. Deel V gaat over de vraag of samenwerking tussen reguliere en complementaire zorg mogelijk is, en onder welke voorwaarden.
Wat hier wél en niet wordt beoordeeld. Dit is geen beoordeling van iedere vorm van orthomoleculair werken en niet van iedere behandelaar die zich zo noemt. De analyse richt zich op de centrale leerstellingen, op de veelgebruikte commerciële tests, op de claims bij supplementen, en op de organisatorische en juridische kaders daaromheen. Wie die methoden niet gebruikt en niets verkoopt, wordt door het grootste deel van dit stuk niet geraakt.
En houd drie soorten oordelen uit elkaar, want zij lopen in dit veld voortdurend door elkaar en zij volgen niet uit elkaar. Het eerste is de wetenschappelijke vraag: meet of doet een methode wat erover wordt beweerd? Het tweede is de professionele vraag: past de handeling binnen de deskundigheid, de opleiding en het toezicht van degene die haar verricht? Het derde is de juridische vraag: wat mag er bij verkoop, reclame en gezondheidsclaims? Een verboden claim is daarmee niet automatisch onjuist, en een onvoldoende gevalideerde test is niet automatisch verboden. Deel I beantwoordt de eerste vraag, deel II de tweede en deel III de derde.
Wie weinig tijd heeft, leest deel III. Daar staat het materiaal dat het minst van interpretatie afhangt.
Waarom dit stuk bestaat, en wat het niet is
Dit is geen aanval op een beroepsgroep. Het is een toetsing van een leer en van een praktijk, langs drie vragen: wat wordt er beweerd, waar rust dat op, en wat mag er wettelijk over worden gezegd.
Dat onderscheid is inhoudelijk relevant. Er werken mensen in dit veld die zorgvuldig zijn, die hun grenzen kennen en die cliënten iets bieden wat zij elders niet krijgen. Er werken er ook die dat niet doen. Wie die twee op één hoop gooit, maakt zichzelf ongeloofwaardig en verliest precies de lezer die hij wil bereiken: de half overtuigde.
Daarom begint dit stuk bij wat er deugt, en het is een langere lijst dan tegenstanders doorgaans toegeven.
Wat hier wordt onderzocht, en waar dat vandaan komt
Voordat de kritiek begint, hoort vast te staan wat er precies wordt bekritiseerd. Anders ontstaat de makkelijkste tegenwerping die er is: dit is niet wat wij beweren, dit zijn uitspraken van losse aanbieders of een historische definitie. Die tegenwerping is terecht zolang zij niet wordt weggenomen, en dat vraagt om onderscheid tussen drie soorten bronnen.
De term zelf is van 1968, toen Linus Pauling hem introduceerde: orthos voor juist of recht, moleculair voor de moleculen betreffende. De Nederlandse beroepsvereniging bestaat sinds 1988 en draagt die term in haar naam. In oudere publieksteksten van en over de vereniging keert daarbij één formulering telkens terug: dat het streven is het lichaam te voorzien van optimale concentraties voedingsstoffen, en dat het ook voor een gezond mens bijna onmogelijk zou zijn die via voeding binnen te krijgen — met foliumzuur als het bekendste voorbeeld. Dat is de stelling waar de drie bezwaren verderop op zien.
Maar wie die formulering vandaag op de site van de vereniging zoekt, vindt haar niet meer. De pagina over orthomoleculaire geneeskunde leidt inmiddels door naar een pagina Voedingsgeneeskunde, waar staat dat deze behandelaar gezondheid ondersteunt en optimaliseert door het zelfherstellend vermogen te beïnvloeden met voeding, suppletie en leefstijlinterventies, en dat hij in Nederland vaak wordt aangeduid als orthomoleculair behandelaar. Het woord is daar van kop naar bijzin verhuisd. Elders op dezelfde site staat het nog gewoon: in de naam van de vereniging, in de aanduiding van het keurmerk, en in de lijst met vakopleidingsrichtingen. Het is dus geen naamswijziging maar een accentverschuiving — en die zit precies op de plek waar de scherpste stelling stond.
Houd daarom drie bewijsniveaus uit elkaar, want zij dragen niet hetzelfde gewicht. Een officiële kernstelling staat in statuten, beroepsprofiel of een vastgestelde definitie. Een institutioneel gedragen praktijk staat in erkende opleidingen, ledeninformatie of officiële scholing. En een losse commerciële uiting staat alleen bij één praktijk, opleider of verkoper. Alleen de eerste twee kunnen dragen wat hierna wordt besproken; de derde is illustratie en geen bewijs over een hele beroepsgroep.
Waar de uitspraken uit dit stuk in dat schema vallen, is als volgt. Het streven naar optimaliseren staat op de huidige site van de vereniging en in haar publieksteksten, en is dus institutioneel gedragen. De centrale rol van suppletie eveneens: de vereniging beschrijft de therapeutische werking van hoogkwalitatieve voedingssupplementen als kern van het vak, en laboratoriumdiagnostiek staat in het curriculum van een door haar erkende opleiding. De bewering dat normale voeding structureel tekortschiet, staat vandaag niét meer op haar eigen site; die trof ik aan op de pagina van het koepelregister over orthomoleculaire therapie en op websites van praktijken en portalen. Het eerste is een institutionele uiting binnen het bredere private registerstelsel, niet zonder meer een door de vereniging onderschreven standpunt; het tweede is losse commerciële uiting. Categorie één is het in geen geval.
Daarom is de formulering in dit stuk bewust terughoudend. Waar hierna sprake is van uitgangspunten of van een centrale stelling, gaat het om wat in de onderzochte bronnen en praktijken terugkeert — niet om een vastgestelde leerstelling die de vereniging vandaag onderschrijft. Wie wil vaststellen wat zij wél als kernstelling hanteert, moet het beroepsprofiel opvragen; dat is niet openbaar. En wie wil vastleggen wat er eerder op haar site stond, is aangewezen op een gedateerde archiefversie. Beide staan achterin als openstaand punt.
Deel I De leer zelf
Eerst: wat er wél deugt
De tijd. Een consult van drie kwartier tegenover tien minuten. Dat verschil bepaalt hoe een gesprek verloopt.
Het doorvragen op voeding en leefstijl, waar de reguliere zorg lang geen plek voor had ingericht. De vraag werd niet gesteld, en dus ging de cliënt hem elders stellen.
Het serieus nemen van klachten die niet in een diagnose passen. Het antwoord er is niets gevonden is medisch eerlijk en menselijk onbevredigend. Wie daar niets tegenover zet, laat een gat achter.
En het sterkste punt, dat uit de statistiek komt. Zij hebben gelijk dat een gemiddelde het individu kan verbergen. Wanneer honderd van tienduizend deelnemers werkelijk baat hebben, wordt dat effect over de hele groep uitgemiddeld en kan het onder de detectiegrens zakken. Of dat gebeurt, hangt af van de effectgrootte, de uitkomstmaat, de opzet en het onderscheidend vermogen — het is dus geen automatisme. Maar de redenering zelf is correct en zij wordt terecht gebruikt.
Het verklaart ook waarom mensen er komen, en dat is geen dwaling maar een oordeel over wat zij elders misten.
Waar de redenering scharniert
Daar draait het om:
Dat het gemiddelde iets verbergt, is geen bewijs dat het er bij deze persoon is. Het is een reden om te zoeken, niet om aan te nemen.
En dan de vraag die volgt: met welke methode stel je vast of iemand tot die honderd behoort? Daar begint het probleem. De methoden die daarvoor in de praktijk worden ingezet zijn de haarmineraalanalyse, de IgG-test op voeding, het levend bloedonderzoek en de commerciële darmfloratest, en geen van de vier levert die vaststelling.
De redenering is dus juist tot precies het punt waarop zij tot handelen zou moeten leiden, en daarna niet meer.
De vier onderzochte tests
Het scharnier hierboven eindigt bij een vraag: met welke methode stel je vast dat deze persoon tot de kleine groep behoort die baat heeft? Dat is geen retorische vraag, want er wordt in de praktijk wel degelijk getest. De methoden zijn alleen niet wat zij lijken.
Eerst het kader waarlangs een diagnostische test hoort te worden beoordeeld, want dat is een ander kader dan dat van de richtlijnontwikkeling verderop. Een test doorloopt zelf geen richtlijnprocedure; een test wordt beoordeeld op vijf achtereenvolgende vragen. Meet het laboratorium technisch betrouwbaar wat het zegt te meten — de analytische validiteit. Geeft hetzelfde monster opnieuw dezelfde uitslag — de reproduceerbaarheid. Bestaan er gevalideerde referentiewaarden om die uitslag tegen af te zetten. Hangt de uitslag aantoonbaar samen met de toestand die men ermee zegt vast te stellen — de klinische validiteit. En leidt het gebruik ervan tot betere beslissingen of uitkomsten — de klinische bruikbaarheid. Pas als die vijf zijn beantwoord, komt de vraag of een beroepsrichtlijn de test aanbeveelt.
Elk van de vier valt op een andere trede van die ladder. De haaranalyse struikelt over reproduceerbaarheid en referentiekader. De IgG-test heeft analytische validiteit — er wordt werkelijk een antistof gemeten — maar mist de klinische validiteit: de uitslag hangt niet samen met wat men ermee zegt vast te stellen. Het levend bloedonderzoek faalt op reproduceerbaarheid. En de darmfloratest heeft geen bruikbaar referentiekader en daarmee geen aantoonbare klinische bruikbaarheid. Dat is preciezer dan zeggen dat ze alle vier niet deugen, en het maakt zichtbaar waar bij elk het probleem precies zit.
Ze verdienen ieder een eigen behandeling, omdat ze op verschillende manieren falen. De eerste levert uitslagen die tussen laboratoria te sterk uiteenlopen om er een individuele voedingsstatus uit af te leiden, de tweede meet wél iets maar niet wat de uitslag suggereert, de derde levert beelden waarvan de interpretatie niet is gevalideerd, en voor de vierde ontbreekt het gevalideerde referentiekader waartegen een uitslag zou moeten worden afgezet.
De haaranalyse: één haar, zes uitslagen
Hier bestaat een onderzoek waarvan de opzet zo eenvoudig is dat zij zich in één zin laat navertellen. Het betrof één proefpersoon en zes laboratoria, in 2001, dus het beslecht de kwestie niet in zijn eentje — maar het staat niet alleen, want een eerder onderzoek uit 1985 kwam met een strengere opzet tot dezelfde uitkomst.
Onderzoekers namen bij één gezonde vrijwilliger één haarmonster, splitsten dat, en stuurden de delen naar zes commerciële laboratoria die samen negentig procent van de Amerikaanse markt bedienden. Hetzelfde haar, van dezelfde persoon, op hetzelfde moment geknipt.
Bij twaalf mineralen scheelde de hoogste en de laagste gerapporteerde waarde meer dan een factor tien.
Bij veertien van de eenendertig onderzochte mineralen kwamen statistisch significante uitschieters voor.
De laboratoria hanteerden verschillende referentiewaarden, waardoor bijna elk mineraal bij het ene lab hoog heette en bij het andere normaal of laag.
En op grond van die uitslagen gaven zij tegenstrijdige voedings- en supplementadviezen.
De conclusie van de auteurs is even kort: deze analyses zijn onbetrouwbaar, en zorgverleners wordt aangeraden ze niet te gebruiken om de voedingstoestand van een individu te beoordelen. En het onderzoek uit 1985 dat hieraan voorafging, was op één punt zelfs strenger van opzet: daarbij gingen haarmonsters van twee gezonde tieners onder valse namen naar dertien commerciële laboratoria, en de gerapporteerde waarden verschilden niet alleen tússen de laboratoria maar ook tussen identieke monsters die naar hétzelfde laboratorium waren gestuurd. Ook toen verschilden de laboratoria van mening over wat normaal heette, gaven zes van hen supplementadviezen die onderling sterk uiteenliepen, en beschreef de auteur de bijgeleverde computerinterpretaties als omvangrijk, bizar en potentieel beangstigend voor patiënten. Zijn conclusie is scherper dan die van 2001: het commerciële gebruik van haaranalyse op deze manier is onwetenschappelijk, economisch verspillend en waarschijnlijk onrechtmatig.
En er is een tegenwerping, die eerlijk gezegd moet worden omdat de sector haar zelf voert. In 2002 verscheen een analyse die stelde dat de wasstap bij de monstervoorbereiding de bron van veel van die variatie was, en dat de laboratoria die niet wassen onderling goed overeenkwamen. Commerciële aanbieders citeren dat tot op de dag van vandaag, en enkele presenteren het onderzoek uit 2001 zelfs als bewijs vóór hun eigen betrouwbaarheid.
Die tegenwerping raakt één van de vier bevindingen en laat de andere drie staan. Zelfs als de wasmethode het verschil in gemeten concentraties volledig zou verklaren, verklaart zij niet dat de laboratoria verschillende referentiewaarden hanteerden, niet dat daardoor bijna elk mineraal bij het ene lab hoog heette en bij het andere normaal of laag, en niet dat zij op grond van hun uitslagen tegenstrijdige voedings- en supplementadviezen gaven. Het meetprobleem is dus betwistbaar; de stap van meting naar advies is dat niet.
Let op wat dit precies zegt, en let ook op wat het níet zegt. Er zijn drie verschillende toepassingen van haaranalyse en zij moeten uit elkaar worden gehouden. In de forensische toxicologie en bij bepaalde blootstellingen is haar een bruikbaar analysemateriaal. In wetenschappelijk onderzoek naar biomarkers wordt eraan gewerkt. Voor die tweede toepassing heb ik geen actuele overzichtsstudie zelf ingezien; in een review van dit stuk is er wel op gewezen dat haar als analysemateriaal mogelijkheden heeft, mits standaardisatie, contaminatiebeheersing, analysemethode en klinische validatie op orde zijn. Die verwijzing is nog niet aan de bron getoetst en staat daarom als opgave van een derde vermeld. Waar het hier over gaat is de derde toepassing: de commerciële haarmineraalanalyse als instrument om bij een individu voedingstekorten vast te stellen en daar een supplementadvies op te baseren. De besproken onderzoeken raken die derde toepassing, en de conclusie luidt dus niet dat haar niets meet, maar dat de stap van een commerciële haaruitslag naar een individuele bevinding en een suppletieadvies voor dit gebruik onvoldoende is gevalideerd — omdat bewerking, ijking en referentiewaarde per laboratorium verschillen. Zonder die stap is de uitslag een getal en geen bevinding.
De IgG-test op voeding: hij meet iets anders dan de uitslag suggereert
Deze faalt op een andere en interessantere manier, want hij meet wél iets.
Antistoffen van de klasse IgG tegen een voedingsmiddel ontstaan juist doordat iemand dat middel regelmatig eet. De aanwezigheid ervan weerspiegelt doorgaans blootstelling, en de subklasse IgG4 wordt in verband gebracht met immunologische tolerantie. Let op de formulering: dat is iets anders dan zeggen dat de test tolerantie méét. Er is geen gevalideerde uitslag die bij deze persoon vaststelt wat zij wel of niet verdraagt. Wat zij niet zijn, is een gevalideerde maat voor intolerantie. Wie veel zuivel eet, heeft daardoor meer antistoffen tegen zuivel.
De uitslag wordt vervolgens gelezen als een lijst met wat iemand niet verdraagt, terwijl zij grotendeels een lijst is van wat iemand eet. Het taakgroeprapport van de Europese allergologen uit 2008 is hierover onomwonden, en het is vrij toegankelijk, dus na te lezen. Het stelt vast dat veel serummonsters een positieve IgG4-uitslag geven zonder bijbehorende klachten, dat er geen overtuigend bewijs is voor histamine-vrijmakende eigenschappen van IgG4 bij de mens, en dat er geén gecontroleerde studies bestaan naar de diagnostische waarde van deze test bij voedselallergie. De aanwezigheid van IgG4 moet volgens het rapport niet worden gezien als een factor die overgevoeligheid veroorzaakt, maar als een indicator van immunologische tolerantie, gekoppeld aan de activiteit van regulatoire T-cellen. De conclusie luidt dat voedselspecifiek IgG4 geen allergie of intolerantie aanduidt maar een fysiologische reactie van het immuunsysteem na blootstelling, en dat de test bij voedselgerelateerde klachten niét zou moeten worden uitgevoerd — niet: met terughoudendheid, maar niet. Het rapport benoemt daarbij zelf de commerciële kant: het spreekt van een groeiende markt. Er bestaat wél goede diagnostiek bij een vermoeden van voedselallergie: een zorgvuldige anamnese, IgE-bepaling en een huidpriktest. Dat is een medisch traject en het hoort bij een arts. Wie de IgG-test afwijst, hoeft de cliënt dus niet met lege handen te laten staan.
Er komt hier een echte laboratoriumuitslag uit, met getallen, en de conclusie die eraan wordt verbonden staat haaks op wat er is gemeten.
Levend bloedonderzoek: het preparaat verandert terwijl je kijkt
Hier wordt de vorm van bloedcellen beoordeeld in een druppel onder een microscoop. Het probleem is dat zo'n preparaat vanaf de eerste minuut verandert door afkoeling en indroging. Wat er na tien minuten te zien is, is deels het gevolg van het kijken zelf. Het zwaarste bezwaar is echter niet dat artefact maar het ontbreken van validatie, en daarvoor bestaat rechtstreeks onderzoek. In 2006 lieten twee ervaren beoordelaars met vergelijkbare scholing, wederzijds geblindeerd, achtenveertig capillaire monsters van vierentwintig patiënten beoordelen. De conclusie: de methode is zeer moeilijk te standaardiseren en de betrouwbaarheid van de diagnostische test is laag. Een eerder onderzoek uit 2005 concludeerde dat donkerveldmicroscopie volgens dezelfde methode geen kanker kon vaststellen. Beide verschenen in tijdschriften voor complementaire geneeskunde — het ontkrachtende bewijs komt hier dus uit het veld zelf.
Daarnaast is er een normatief signaal, en dat komt eveneens uit het veld: de brancheorganisatie voor schoonheidsspecialisten noemt dit quasi-diagnostiek en staat het alleen zeer restrictief toe, binnen de complementaire zorg en zonder diagnose, gezondheidsadvies of claimvorming.
En er zit een tweede laag onder. Bloed afnemen via een venapunctie is een voorbehouden handeling, omdat het een punctie is; een capillaire vingerprik valt daar doorgaans niet onder. Die grens hangt aan bevoegdheid en bekwaamheid, niet aan beroepsgroep.
Het darmflora-onderzoek: het ontbrekende normaalbeeld
Deze verdient de meeste terughoudendheid, want hier is echt onderzoek gaande en het is niet onzinnig.
Het probleem is niet dat de meting niets voorstelt. Het is dat er geen vastgesteld normaalbeeld bestaat waartegen een individuele uitslag kan worden afgezet. Hier ligt het genuanceerder, en dat hoort gezegd: er lóópt serieus onderzoek naar de rol van de darmmicrobiota, ook bij huidaandoeningen. Wat ontbreekt is het referentiepunt. Zonder dat zijn brede commerciële profielen onvoldoende gestandaardiseerd en gevalideerd om er routinematig een individueel behandel- of supplementadvies op te baseren. Dat is iets anders dan zeggen dat de meting niets betekent; het is zeggen dat de stap van uitslag naar advies nog niet gelegd kan worden.
Dat is niet alleen mijn lezing. Een internationale consensusverklaring uit 2025, opgesteld door een panel van negenenzestig deskundigen en gepubliceerd in The Lancet Gastroenterology and Hepatology, stelt dat het bewijs voor de klinische bruikbaarheid van darmmicrobioomonderzoek schaars is, dat commerciële aanbieders tests rechtstreeks aan consumenten verkopen zonder aangetoonde waarde in de klinische praktijk, en dat dit kan leiden tot verspilling van middelen en tot nadelen in de behandeling. De verklaring ontraadt uitdrukkelijk dat een patiënt zonder klinische indicatie zelf zo’n test aanvraagt. Voor deze test past dus geen spot maar een vraag: wat zou er met de uitslag gebeuren, en was dat zonder test anders geweest?
En de vraag die op alle vier past
Die laatste vraag is het bruikbaarste instrument uit dit hele stuk, en hij werkt zonder dat je iets over de test hoeft te weten:
Wat zou u anders adviseren als deze uitslag omgekeerd was geweest?
Blijft het advies hetzelfde, dan heeft de test niets toegevoegd behalve een rekening. Verandert het advies, dan is de vervolgvraag welk onderzoek die verandering rechtvaardigt.
Waar het echt misgaat: de test en de oplossing van dezelfde partij
Tot slot de constructie die over alle vier heen ligt. Een testpakket met een eigen supplementenlijn erachter betekent dat dezelfde partij het probleem vaststelt en de oplossing verkoopt.
Wat die test meet doet er dan minder toe dan wat de opzet doet. Elke uitslag die tot een aankoop leidt, komt van de verkoper. Dat is niet noodzakelijk kwade wil, maar het is een rechtstreeks financieel belangenconflict, en dat vraagt om onafhankelijke validatie, om transparantie en om scheiding van advies en verkoop. Ook in de reguliere zorg kunnen diagnostiek, behandeling en financieel belang overigens binnen één organisatie samenkomen; het verschil is dat daar regels bestaan die dat zichtbaar moeten maken.
Drie bezwaren tegen die uitgangspunten
1. Het begrip optimum is nooit ingevuld
De kernstelling luidt dat het lichaam moet worden voorzien van optimale concentraties voedingsstoffen. Maar voor vrijwel geen enkele voedingsstof bestaat een vastgestelde individuele optimale concentratie, en er is geen methode om die bij een persoon te bepalen.
Dat is niet een gat dat nog gedicht moet worden; het is een gat waar de hele constructie op rust. De dosis-responscurve vlakt af rond de aanbevolen hoeveelheid. Zonder ingevuld eindpunt is optimaliseren een richting zonder grens, en dat verklaart waarom er altijd nog iets bij kan.
2. Het eigen voorbeeld werkt tegen de stelling
Foliumzuur wordt aangevoerd als bewijs dat voeding tekortschiet. Maar foliumzuur is juist het schoolvoorbeeld van het tegendeel: een omschreven groep, een venster van enkele weken, een uitkomst die telt. Het laat zien dat gerichte suppletie bij een aanwijsbare groep werkt, en tegelijk hoe specifiek zulke gevallen zijn. Het gaat steeds om een omschreven groep en een omschreven uitkomst: foliumzuur rond de conceptie, vitamine K bij pasgeborenen, vitamine D voor risicogroepen, vitamine B12 bij een plantaardig voedingspatroon, en verder het corrigeren van een vastgesteld tekort, bij malabsorptie of na bariatrische chirurgie. Dat is een lijst met indicaties, geen argument voor suppletie bij mensen met normale waarden.
3. De kernbewering is bij een product wettelijk niet toegestaan
Dit is het bezwaar dat geen kwestie van opvatting is.
De stelling dat het ook voor een gezond mens bijna onmogelijk zou zijn om via voeding voldoende binnen te krijgen, is precies de bewering die bij een voedingssupplement niet mag worden gedaan. Twee bepalingen zeggen dat, en beide zijn woordelijk nagelezen:
Verordening (EG) nr. 1924/2006, artikel 3, onder d. Voedings- en gezondheidsclaims mogen niet stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden.
Het Warenwetbesluit voedingssupplementen, artikel 6, derde lid, nagelezen in het Staatsblad: Bij voedingssupplementen worden geen vermeldingen gebezigd die beweren of suggereren dat een evenwichtige en gevarieerde voeding in het algemeen geen passende hoeveelheden aan microvoedingsstoffen kan bieden.
Let op het verschil in reikwijdte: de Europese bepaling spreekt van nutriënten, de Nederlandse van microvoedingsstoffen, dus vitaminen en mineralen. De Europese is ruimer en werkt rechtstreeks, dus in de praktijk dekt zij het geheel. En let op wat er in dezelfde bepaling áchter die zin volgt: er kunnen afwijkingen worden vastgesteld voor nutriënten die een evenwichtige, gevarieerde voeding niet in voldoende hoeveelheden levert. Zulke afwijkingen zijn tot op heden niet vastgesteld, dus het verbod geldt onverkort — maar wie de bepaling aanhaalt, hoort die clausule te noemen.
Het gaat hier dus niet om een wetenschappelijk meningsverschil. Zodra de stelling dat gevarieerde voeding in het algemeen tekortschiet, wordt gebruikt om een supplement aan te prijzen, valt zij onder het claimverbod. En dat is precies de reden waarom deze bepaling bestaat: een supplement mag geen tekort suggereren dat er niet is. Of die stelling in een concreet geval commercieel wordt gebruikt, is een vraag naar de feiten — maar zij is de kern van de verkoopboodschap zoals die in folders, webshops en productteksten terugkeert.
Wat er verplicht op de verpakking staat
Bij het nalezen van dat besluit kwam iets naar boven dat sterker is dan het verbod zelf.
Dezelfde bepaling, artikel 6, eerste lid, onder d, schrijft voor dat op de verpakking van elk voedingssupplement een vermelding staat dat voedingssupplementen niet als substituut voor een gevarieerde voeding worden gebruikt.
En de claimverordening voegt daar in artikel 10, tweede lid, onder a, aan toe dat bij elke gezondheidsclaim een bewering hoort waarin wordt gewezen op het belang van een gevarieerde, evenwichtige voeding en een gezonde levensstijl. De toezichthouder geeft er zelfs een voorbeeldzin bij: een gezonde levensstijl en een evenwichtige en gevarieerde voeding zijn belangrijk, en dit voedingssupplement is geen vervanging daarvan.
Zet dat naast elkaar.
In die bronnen staat dat het via voeding vrijwel onmogelijk is om binnen te krijgen wat je nodig hebt. De wet verplicht de fabrikant om op datzelfde potje te zetten dat het geen vervanging is van gevarieerde voeding, en verbiedt hem te beweren dat gevarieerde voeding tekortschiet.
Dat uitgangspunt wordt dus tegengesproken door een zin die verplicht op de eigen producten staat.
Dat is een controleerbaar feit en het is in een gesprek met een cliënt goed bruikbaar.
Eén afbakening hoort daar meteen bij. Dat de wet een commerciële bewering verbiedt, zegt op zichzelf niets over haar wetenschappelijke juistheid: het verbod geldt ongeacht het bewijs. Daarom blijft de afzonderlijke vraag staan waarop deze centrale verkoopboodschap dán wél controleerbaar rust. Op publiekspagina’s, waar de werkwijze wetenschappelijk onderbouwd heet, blijft het daarover stil.
En hoe weet je het dan wél? Hoe een richtlijn tot stand komt
Kritiek op een methode is pas iets waard als je kunt zeggen hoe het dan moet. Daarom hier, kort en controleerbaar, hoe een aanbeveling in de reguliere zorg tot stand komt. Niet omdat dat stelsel volmaakt is — dat is het niet, en daar kom ik op terug — maar omdat het de maatstaf is waaraan het alternatief zich meet zodra het woorden als onderbouwd en wetenschappelijk gebruikt.
Het begint niet bij een overtuiging maar bij een vraag. Een wetenschappelijke vereniging stelt een uitgangsvraag op en formeert een werkgroep, doorgaans multidisciplinair en met patiëntenverenigingen erin. Een medisch informatiespecialist voert een systematische literatuurzoektocht uit — systematisch wil zeggen: van tevoren vastgelegd, herhaalbaar, en niet gestuurd door wat je hoopt te vinden. De gevonden studies worden beoordeeld op risico op vertekening, en waar het kan worden de resultaten samengevoegd in een meta-analyse.
Dan komt de stap die het meest wordt onderschat. Volgens de GRADE-methodiek wordt per uitkomstmaat de zekerheid van het bewijs gegradeerd in vier niveaus: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Die gradering zegt niet of iets werkt, maar hoe zeker het is dat de gevonden schatting klopt. Zij wordt verlaagd bij beperkingen in studiekwaliteit, bij inconsistentie tussen studies, bij indirect bewijs, bij onnauwkeurigheid, en bij aanwijzingen voor publicatiebias. Pas daarna volgt de aanbeveling, en die rust op meer dan het bewijs alleen: de balans tussen gewenste en ongewenste effecten, de waarden en voorkeuren van patiënten, en de kosten. Bewijskracht en aanbeveling worden dus uit elkaar gehouden en apart opgeschreven — je kunt een sterke aanbeveling hebben op zwak bewijs, en dat staat er dan bij.
Vervolgens wordt het openbaar gemaakt, en dat is niet vrijblijvend. Er is een commentaarfase waarin het veld mag reageren, de betrokken verenigingen autoriseren de tekst, en de richtlijn komt in een openbare database te staan. Zij is opgebouwd uit modules die afzonderlijk kunnen worden herzien, zodat een verouderd onderdeel niet blijft staan omdat het geheel nog niet toe is aan herziening. Het proces zelf wordt getoetst aan een internationaal instrument voor richtlijnkwaliteit.
En dan de belangen. Er geldt een code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling. Elk werkgroeplid verklaart schriftelijk of het de afgelopen drie jaar directe financiële belangen had — een betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering — of indirecte belangen zoals persoonlijke relaties en reputatiemanagement. Wijzigingen worden aan de voorzitter gemeld, de verklaring wordt tijdens de commentaarfase opnieuw bevestigd, en een overzicht van de gemelde belangen plus het oordeel over hoe daarmee is omgegaan wordt bij de richtlijn gepubliceerd. De ondertekende verklaringen zijn opvraagbaar.
Leg daar de vier tests uit dit hoofdstuk naast, en het verschil is geen kwestie van toon. Bij geen van vier is een uitgangsvraag geformuleerd, geen systematische zoektocht gedaan, geen risico op vertekening beoordeeld, geen zekerheid gegradeerd, geen commentaarfase doorlopen en geen belangenverklaring gepubliceerd. Wie wil weten wie een reguliere aanbeveling heeft geschreven en welke belangen die persoon opgaf, kan dat opzoeken. Wie wil weten waarop een supplementenprotocol rust en wie eraan verdiende, kan dat niet.
Twee dingen die hier eerlijkheidshalve bij horen. Dit stelsel is niet zuiver: ook in de reguliere zorg beïnvloedt de financier de uitkomst. Een Cochrane-overzicht uit 2017, gebouwd op vijfenzeventig artikelen met in totaal 4583 studies, laat zien dat door de industrie gefinancierd onderzoek systematisch gunstiger uitkomsten en gunstiger conclusies oplevert dan onderzoek met andere financiering. En let op wat de auteurs daaraan toevoegen, want dat snijdt de gebruikelijke weerlegging af: dat verschil is niét te verklaren uit verschillen in methodologische kwaliteit. De vertekening zit dus niet in slordiger onderzoek maar ergens anders — in de vraagstelling, de opzet, de keuze van de vergelijking, de selectieve rapportage. Dat is precies de reden dat die belangenverklaringen bestaan, en het is ook de reden dat een richtlijn nooit een gezagsargument is maar een controleerbaar document. En het tweede: dit is geen bewijsplicht die alleen voor anderen geldt. Ook aan dit stuk kun je de vraag stellen waarop het rust, en de verantwoording achterin is bedoeld om die vraag te kunnen beantwoorden.
Deel II De organisatie eromheen
De beroepscode als toetsingsnorm
Van de code zijn twee tekstuele versies aangetroffen en beide zijn integraal gelezen; welke dat zijn en waar zij staan, komt verderop aan de orde. Een officieel vastgestelde en gedateerde versie is niet gevonden; vraag die vóór publicatie op, zodat de hier geciteerde bepalingen aan een vastgestelde versie hangen. De statuten en het huishoudelijk reglement staan achter het ledendeel en zijn niet openbaar.
Dit is het onderdeel dat in polemieken meestal ontbreekt, en het is het overtuigendst.
De beroepscode van de eigen vereniging bepaalt onder meer dat de behandelaar zich onthoudt van handelingen en uitspraken buiten het terrein van de eigen deskundigheid, dat hij zich onthoudt van reclame met behaalde genezingsresultaten, en dat hij informatie geeft om gevaarlijke keuzes te voorkomen. Let bij die tweede bepaling op de volledige formulering: de code verbiedt reclame voor specifiek door de behandelaar behaalde genezingsresultaten — in de code succesberichten genoemd — óf voor te genezen ziekten. Dat tweede is, in eigen woorden, hetzelfde verbod dat deel III uit het levensmiddelenrecht haalt. De beroepsgroep verbiedt zichzelf dus al wat de wetgever haar ook verbiedt, en zij deed dat eerder.
Wie testpakketten met succesverhalen verkoopt, botst dus niet met een externe criticus maar met de code van zijn eigen vereniging.
Maar wélke code is dit eigenlijk? Die vraag is lastiger te beantwoorden dan zij zou moeten zijn. Er circuleren twee tekstuele versies. De ene, die ik aantrof als pdf op een praktijksite, heet Beroepscode Maatschappij ter bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde en spreekt consequent van de orthomoleculair behandelaar en de orthomoleculair geneeskundige. De andere, een webversie bij een aangesloten praktijk, heet MBOG beroepscode orthomoleculair zorgverlener en spreekt van de MBOG behandelaar, met een voetnoot die de reikwijdte uitbreidt naar onder meer kPNI, DNA, integrative medicine, functional medicine en leefstijl- en natuurgeneeskundige behandelaren.
Die voetnoot vormt een sterke aanwijzing dat de tweede versie later is opgesteld dan de eerste, omdat zij precies de disciplines accommodeert die de vereniging inmiddels bedient. De eerste líjkt dus van vóór die verbreding te dateren. Hard bewijzen kan ik dat niet: geen van beide draagt een versienummer of een vaststellingsdatum.
En ook de jongste van de twee komt op onderdelen niet meer overeen met de huidige structuur van de vereniging. Daarin worden overtredingen gemeld aan het Tuchtcollege van de MBOG en gaat het bestuur tot maatregelen over. De huidige site verwijst voor klachten en geschillen naar SCAG en voor tuchtrecht naar een instantie buiten de vereniging. De klachtroute die in de code staat beschreven, is dus niet meer de route die de vereniging zelf aanhoudt.
Beide versies zijn inmiddels integraal vergeleken, en dat levert een scherper beeld op dan een verschil in terminologie. De oudere versie bestaat uit twee onderdelen: Algemeen en In relatie tot patiënten. Daar houdt zij op. De jongere versie bevat diezelfde twee onderdelen, in vrijwel dezelfde bewoordingen, en daaromheen een inleiding van twee alinea’s, drie nieuwe onderdelen — Kennis, Gedragsregels en Aansprakelijkheid MBOG — en een voetnoot die de reikwijdte uitbreidt naar de overige disciplines binnen de vereniging.
Dat laatste onderdeel is nieuw, en daarin staat de clausule. In de oudere versie ontbreekt zij volledig — niet in een andere formulering, maar in het geheel niet, omdat het onderdeel waarin zij staat daar nog niet bestond. Hetzelfde geldt voor de interne klachtroute via het Tuchtcollege van de vereniging. De uitsluiting van klachten over niet-geregistreerde praktijken en diagnostiek is dus een látere toevoeging aan deze code, en niet een bepaling die er altijd in heeft gestaan. Wanneer zij is toegevoegd en door wie, valt uit deze twee documenten niet af te leiden: geen van beide draagt een datum.
Twee van die nieuwe onderdelen verdienen aandacht op zichzelf. Het onderdeel Kennis verlangt van de behandelaar voldoende kennis van anatomie, fysiologie, pathologie en van de klinische, fysische diagnostiek, en stelt dat hij een bepaalde geneeskundige basiskennis op hbo- of wo-niveau dient te bezitten. Daar staat de geleende schaal dus in de code zelf: niet een hbo-diploma, maar kennis óp dat niveau. En het onderdeel Gedragsregels opent met de vaststelling dat de behandelaar zich vrijwillig onderwerpt aan de ethische gedragsregels. Dat is geen kritiek van buiten; het is de code die haar eigen karakter benoemt.
En de reikwijdte wordt in deze versie tweemaal ingeperkt, niet éénmaal. Naast de clausule over klachten staat in de inleiding dat het bestuur bij bewezen overtredingen tot maatregelen zal overgaan — voor zover althans de betreffende behandelaar onder de reglementen der MBOG valt. Twee keer dus dezelfde beweging: de norm wordt streng geformuleerd en het bereik ervan wordt in dezelfde tekst begrensd.
En het omgekeerde geldt voor de bepalingen waarop dit hoofdstuk steunt. Die staan in beide versies, woordelijk gelijk: het onthouden van handelingen én uitspraken buiten het terrein van de eigen deskundigheid en bekwaamheid; de plicht informatie te geven om gevaarlijke keuzes van de patiënt te voorkomen; en het verbod op reclame voor behaalde genezingsresultaten of te genezen ziekten, met daarbij de bepaling dat vertekening van de beeldvorming bij het publiek moet worden vermeden doordat zaken uit hun verband worden gerukt of te veel nadruk krijgen. Het argument in dit hoofdstuk hangt dus aantoonbaar niet af van de vraag welke versie geldt. Alleen de clausule doet dat, en die staat daarom als vraag.
Op de huidige website van de vereniging is geen openbaar toegankelijke versie van de beroepscode te vinden. De code wordt daar wél genoemd als document waaraan leden zich moeten houden, naast het beroepsprofiel, de statuten en het huishoudelijk reglement, maar de tekst zelf is niet gepubliceerd. De enige publiek vindbare versies zijn kopieën op websites van aangesloten praktijken: de oudere als pdf, de nieuwere als webpagina. Die verschillen onderling in terminologie en in reikwijdte, en geen van beide bevat een versienummer of een vaststellingsdatum.
Dat is op zichzelf de bevinding: de norm waaraan een lid zich bindt en waarop een cliënt zou moeten kunnen vertrouwen, is niet uit een gezaghebbende bron te halen.
Er is geen wettelijke plicht om een beroepscode te publiceren, en het is dus geen overtreding. Maar het is wél ongebruikelijk, en dat is na te lopen. De KNMG stelt de gedragscode voor artsen als download beschikbaar. De KNMP publiceert de Code van apothekers als pdf. V&VN biedt de beroepscode voor verpleegkundigen en verzorgenden gratis als pdf aan, en daarnaast als app. Er bestaat zelfs een openbaar overzicht van beroepscodes in de zorg waarin ook kleinere paramedische verenigingen staan — huidtherapeuten, podotherapeuten, mondhygiënisten, oefentherapeuten, optometristen, orthoptisten — telkens met een link naar de tekst.
Publiceren is in dit veld dus de norm, en de reden ligt voor de hand. Een beroepscode geeft leden richting, maakt cliënten duidelijk wat zij mogen verwachten, en vormt het toetsingskader bij klachten en tuchtrecht. Die derde functie is hier de doorslaggevende: het tuchtcollege van het register toetst uitdrukkelijk aán de toepasselijke beroepscodes. Een toetsingsnorm die niet uit een gezaghebbende bron te halen is, laat zich lastig toetsen — en laat zich al helemaal lastig weerspreken door degene die eraan wordt gehouden.
Neutraal geformuleerd komt het hierop neer. Anders dan veel zorgberoepsverenigingen, die hun beroepscode of gedragsregels openbaar publiceren, is de actuele code van deze vereniging niet openbaar beschikbaar op haar eigen website. Daardoor is voor patiënten, leden en derden niet eenvoudig vast te stellen welke versie op dit moment van kracht is. Dat is een waarneming en geen verwijt, en zij is in enkele minuten te herhalen.
En dat is het punt dat blijft haken. Dat statuten en een huishoudelijk reglement achter een ledendeel staan, is niets bijzonders; dat zijn interne bestuursstukken. Een beroepscode hoort niet in die categorie: die is precies wat een cliënt geacht wordt te vertrouwen, en de enige manier om te controleren wat dat waard is, is hem lezen. De norm werkt dus naar buiten, terwijl de tekst ervan binnen blijft. Het gevolg weegt daarbij zwaarder dan het verwijt: doordat de vereniging niet zichtbaar publiceert, is de feitelijke publicatie overgelaten aan haar leden, en is er geen gezaghebbende versie om de twee kopieën aan te toetsen.
Het ligt bovendien niet aan de sector. Het tuchtcollege publiceert zijn volledige reglement gewoon als pdf. Het register publiceert zijn toelatingsvoorwaarden met versienummer en vaststellingsdatum. Binnen hetzelfde veld gebeurt het dus wél, en dat maakt dit een keuze van deze vereniging en geen gewoonte van het geheel.
Twee voorbehouden, want zonder die twee wordt dit groter gemaakt dan het is. Ik heb de site van de vereniging niet uitputtend doorzocht; ik heb een aantal pagina’s geopend en geen downloadsectie gevonden, maar een link kan mij zijn ontgaan. En niet zichtbaar gepubliceerd is iets anders dan geheim: het is goed mogelijk dat de code op verzoek wordt verstrekt of achter de ledenlogin staat. Voor de cliënt die wil nagaan waaraan haar behandelaar gebonden is, verandert dat niets — maar voor de formulering wel.
En dan staat er onderaan een clausule waarover wederhoor nodig is. In de uitgebreide openbare weergave sluit de code af met de mededeling dat de vereniging geen klachten aanvaardt voor praktijken, diagnostieken, geneeswijzen en andere diensten waarvoor zij de betreffende zorgverlener geen registratie heeft verleend. Lees dat naast de vorige alinea: de norm verbiedt handelingen en uitspraken buiten de eigen deskundigheid, maar juist wat buíten de geregistreerde discipline valt, zou dan de klacht zijn die niet in behandeling wordt genomen. Het tuchtreglement van het register knoopt zijn toepasselijkheid eveneens aan de therapievorm waarvoor iemand is aangesloten, dus de spanning is reëel.
Maar drie dingen houden dit voorlopig een vraag en nog geen conclusie. De clausule staat uitsluitend in de jongste van de twee versies hierboven, en ontbreekt aantoonbaar in de oudere. Zij staat niet op de huidige klachtenpagina van de vereniging, die juist algemeen naar de geschilleninstantie en het tuchtcollege verwijst, en geen van beide weergaven is door de vereniging zelf gehost of van een vaststellingsdatum voorzien. Bovendien zou het wegvallen van de private route niet betekenen dat er géén route is: de wettelijke klachtenfunctionaris en de erkende geschilleninstantie blijven bestaan zolang iemand zorg verleent. De juiste stap is hier dus niet de conclusie maar de vraag, aan de vereniging: geldt deze clausule nog, en welke route blijft open voor wat erbuiten valt?
Zeg daarom niet dat die code niets voorstelt. Hij bevat normen die, consequent toegepast, een aanzienlijk deel van de praktijk zouden uitsluiten. Dat is een compliment aan de code en een verwijt aan de uitvoering, en dat onderscheid maakt de kritiek geloofwaardig in plaats van goedkoop.
Wat de code sterker maakt dan verwacht, en wat eromheen staat
Eén eis staat niet in de code maar in de lidmaatschapsvoorwaarden, en zij hoort er toch bij: een verklaring omtrent het gedrag, elke vijf jaar opnieuw. Dat is een terugkerende eis en niet een eenmalige drempel, en zij is meer dan een deel van de sector vraagt.
En de code is strenger geformuleerd dan de praktijk die eronder valt. Waar het woord deskundigheid elders rekbaar is, koppelt de code het aan bekwaamheid: niet alleen handelingen, ook uitspráken buiten dat terrein zijn uitgesloten. Voor een private regeling is dat een strengere norm dan een cliënt zou verwachten.
En één ding dat het onoverzichtelijk maakt
Bij het nazoeken bleek de klachtroute versnipperd. Er is een klachtenfunctionaris op grond van de wet, er is een geschilleninstantie, er is het tuchtcollege van het register met zijn eigen beroepscollege, en de beroepscode verwijst daarnaast naar een eigen tuchtcollege van de vereniging, waarbij het bestuur beslist of het tot maatregelen overgaat. Historisch was er ook nog een aparte klachtencommissie voor alternatieve behandelwijzen.
Voor een cliënt met een klacht is dat geen waarborg maar een doolhof. En wie zelf niet weet welke route waarvoor geldt, kan een cliënt er ook niet naar verwijzen. Dat is een praktisch punt dat zwaarder weegt dan het principiële.
Hoe de naleving is geregeld, en dat is beter dan vaak wordt aangenomen
Dit is nagezocht op 27 juli 2026, en de uitkomst nuanceert de kritiek.
Er ís een mechanisme. De beroepsvereniging schrijft haar leden in bij het RBCZ, het register voor beroepsbeoefenaren in de complementaire zorg, en daarmee vallen zij onder de private tuchtregeling van de stichting TCZ. Het College van Toezicht behandelt klachten in eerste aanleg. Tegen een eindbeslissing kunnen zowel de klager als de beklaagde binnen zes weken hoger beroep instellen bij het College van Beroep, dat een beslissing kan vernietigen en de zaak vervolgens zelf afdoet.
En dit is het punt dat ertoe doet: de tuchtnormen zijn de code van het RBCZ én de code van de beroepsvereniging waarbij de therapeut is aangesloten. De eigen beroepscode is dus geen vrijblijvende tekst maar een toetsingsnorm waarop iemand kan worden aangesproken. Daarnaast regelt de vereniging aansluiting bij een erkende geschilleninstantie en een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering, zoals de Wkkgz voorschrijft.
Wie schrijft dat er geen enkel toezicht is, heeft dus ongelijk.
Waarin dit verschilt van het wettelijke tuchtrecht
Dit is het punt waarop precisie ertoe doet, want twee dingen die dezelfde naam dragen zijn hier fundamenteel verschillend.
Het wettelijk tuchtrecht staat in artikel 47 van de Wet BIG en geldt voor wie is ingeschreven in het BIG-register: de elf beroepen van artikel 3, van arts en apotheker tot physician assistant en verpleegkundige. De tuchtcolleges voor de gezondheidszorg zijn bij wet ingesteld en kunnen wettelijke sancties opleggen, tot en met doorhaling in het register.
Wat hier bestaat is iets anders. Het is een private regeling van een stichting, waaraan iemand zich onderwerpt door zich in te schrijven. De grondslag is niet de wet maar de inschrijving zelf.
En daar zit het verschil dat alles bepaalt:
| Wettelijk tuchtrecht | Deze regeling | |
|---|---|---|
| Grondslag | De wet | Vrijwillige inschrijving |
| Procesgang | Regionaal Tuchtcollege; hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege | College van Toezicht; hoger beroep bij het College van Beroep |
| Wie stelt de regels | De wetgever | Het bestuur van de stichting zelf, artikel 21 lid 3 |
| Wie oordeelt | Wettelijk samengesteld college | Op de jurist-voorzitter na uitsluitend beroepsgenoten uit dezelfde sector |
| De zitting | In beginsel openbaar, artikel 70 Wet BIG | Niet openbaar, artikel 12 lid 7 |
| Wat het de klager kost | € 50, en nogmaals € 50 in beroep; terug bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring | € 50, en nogmaals € 50 in beroep; terug zodra de klacht na vooronderzoek in behandeling wordt genomen |
| Verjaring | Tien jaar, een fatale termijn die niet kan worden opgeschort | Vijf jaar, met een beperkte uitzondering tot tien |
| Voorportaal | Rechtstreeks toegankelijk | Het vooronderzoek toetst of de klachtenregeling van de eigen vereniging is doorlopen; sinds maart 2025 zonder uitdrukkelijk gevolg |
| Zwaarste sanctie | Doorhaling in het BIG-register | Verwijdering uit een privaat register |
| Gevolg voor de praktijk | Verlies van titel en voorbehouden handelingen | Geen; het beroep is niet beschermd |
| Wat doet uitschrijven? | De aanspreekbaarheid blijft onbeperkt bestaan | Het onttrekt je niet aan de procedure, maar holt de sanctie wel uit |
Het vocabulaire is hier ontleend aan het wettelijke stelsel. College van Toezicht, College van Beroep, berisping, schorsing, doorhaling: het vocabulaire komt regelrecht uit de Wet BIG. Wat er niet mee overkomt, is het stelsel eromheen. Anders dan bij het wettelijke tuchtrecht berust de regeling niet op een wet maar op een privaat reglement. Wijzigingen daarin worden vastgesteld door het bestuur van de stichting. Hetzelfde bestuur benoemt en herbenoemt de leden van de colleges en stelt, in samenspraak met de voorzitter, per zaak de samenstelling vast. Bestuursleden van de stichting en van het register mogen zelf géén zitting nemen in de colleges, en wie in eerste aanleg oordeelt mag niet in het beroepscollege zitten. Het bestuur schrijft dus het procedurele kader en organiseert de personele bezetting, maar oordeelt niet zelf als tuchtcollege. Dat onderscheid hoort erbij, want zonder dat wordt de kritiek onnauwkeurig.
Daarnaast bestaan er andere private klacht- en tuchtregelingen. Naast de hier beschreven stichting bestaan er andere private tuchtstelsels waar therapeuten via hun eigen collectief onder vallen, met eigen colleges en eigen reglementen. Op praktijkwebsites staat dan bijvoorbeeld dat men onder het klachtrecht en het tuchtrecht van een geschílleninstantie valt — weer een andere partij, met weer een ander reglement. Voor een cliënt die “onder tuchtrecht” leest, is niet alleen onduidelijk wát dat inhoudt, maar ook wíens tuchtrecht het is.
De procedurele verschillen zitten niet in het enkele bestaan van griffierecht. Beide regelingen heffen vijftig euro in eerste aanleg en opnieuw vijftig euro in beroep. De voorwaarden voor teruggave verschillen wél: bij het wettelijke tuchtrecht volgt restitutie bij gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring, bij deze regeling zodra na het vooronderzoek wordt besloten de klacht in behandeling te nemen. Ook de termijnen verschillen. Het wettelijke tuchtrecht kent een verjaringstermijn van tien jaar, die de tuchtcolleges een fatale termijn noemen; de private regeling gaat uit van vijf jaar, met een beperkte verruiming tot maximaal tien voor seksueel geweld, grensoverschrijdend gedrag of ernstig onprofessioneel handelen. De wettelijke terechtzitting is in beginsel openbaar en de rechtspraak koppelt dat aan het recht op een eerlijk proces; hier zijn de zittingen niet openbaar. En het vooronderzoek toetst of de klachtenregeling van de beroepsvereniging is doorlopen, maar sinds maart 2025 verbindt het reglement daaraan niet meer uitdrukkelijk de consequentie dat de klacht anders niet in behandeling wordt genomen.
Tot slot de samenstelling, en daar raken dit hoofdstuk en het vorige elkaar. Op de voorzitter na, die jurist is, zijn alle leden beroepsbeoefenaren die zelf in de complementaire zorg werkzaam zijn en minstens vijf jaar in hetzelfde register staan. Wie hier wordt beoordeeld, wordt beoordeeld door collega’s uit dezelfde kring — dezelfde kring die de opleidingen erkent en de accreditaties waardeert. Dat is geen verwijt aan die personen; het is een kenmerk van de constructie.
Die laatste regel vraagt precisie, want hier gaat de gangbare kritiek de mist in. Uitschrijven onttrekt je niet aan de procedure: artikel 3, derde lid, van het reglement bepaalt dat wie zijn lidmaatschap opzegt of uit het register wordt geschrapt, onderworpen blijft aan het tuchtreglement voor zijn handelen tijdens de inschrijving. Wat uitschrijven wél doet, is de sanctie uithollen: doorhaling van een registratie die iemand toch al had verlaten, raakt vooral nog de melding aan de zorgverzekeraar. En voor nieuw handelen na de uitschrijving houdt de private regeling op te gelden — maar de wettelijke niet: wie zorg blijft verlenen, houdt zijn verplichtingen onder de Wkkgz, met klachtenfunctionaris en geschilleninstantie. Uitschrijven bij een vereniging beëindigt een lidmaatschap, geen wettelijke plicht. Een arts komt ook daar niet onderuit: die blijft tuchtrechtelijk aanspreekbaar, ook als hij zich homeopaat of orthomoleculair therapeut noemt.
Eén formulering verdient daarom precisie. Dat de eigen beroepscode een toetsingsnorm is, klopt, en het blijft het beste argument in dit stuk. Maar de zin hij valt onder het tuchtrecht mag niet zonder toevoeging blijven staan, want zij wekt de indruk van het wettelijke stelsel. De juiste formulering is: er is een private klacht- en toetsingsregeling waaraan hij zich vrijwillig heeft onderworpen, met een sanctie die niet verder reikt dan de registratie zelf. Het verschil zit dus niet in het ontbreken van een beroepsmogelijkheid, maar in de grondslag en de reikwijdte: het ene is wettelijk tuchtrecht met publiekrechtelijke gevolgen, het andere een private regeling waarvan de sancties in beginsel niet verder reiken dan de private inschrijving.
De opleidingseisen en de betekenis van erkend
Nagezocht op 27 juli 2026, en de uitkomst gaat twee kanten op.
Wat er wél wordt geëist, en dat is meer dan je zou verwachten. Voor lidmaatschap verlangt de vereniging een aantoonbare medische basis op hbo-niveau plus een vakopleiding van een geselecteerde lijst. Voor die medische basis bestaan meerdere routes: een opleiding met een BIG-registratie, een registratie in het Kwaliteitsregister Psychotherapie, of een hbo- of wo-diploma aangevuld met een diploma Medische Basiskennis dat door een van de private accreditatie-instituten is erkend. Het is dus niet één eis maar een set gelijkwaardige ingangen. Let daarbij op iets wat pas opvalt als je twee pagina’s van dezelfde site naast elkaar legt: op de aanmeldpagina staat de eis anders geformuleerd, namelijk als een werk-, denk- en opleidingsniveau gelijk aan NLQF 6, 7 of 8, aan te tonen met een willekeurige afgeronde hbo- of wo-vooropleiding plus medische basiskennis van meer dan veertig studiepunten. Dat is niet hetzelfde als de eerste opsomming, en wie wil weten wat er nu precies geldt, moet het navragen. Wie een opleiding heeft die er niet op staat, kan een ballotageverzoek indienen.
Die eis is echt. Elke route loopt via een diploma op hbo-niveau, en daarmee ligt de drempel hoger dan bij een groot deel van de complementaire sector, waar het beroep zelf helemaal vrij is. Dat hoort gezegd, want een kritiek die dit weglaat is niet eerlijk.
En let op de formulering waarmee dat naar buiten komt. De vereniging schrijft dat haar leden een erkende hbo-opleiding hebben afgerond en beschikken over relevante registraties, zoals in het BIG-register en het Kwaliteitsregister Psychotherapie. Dat woordje zoals doet veel werk: het betekent dat sommige leden zo’n registratie hebben, niet dat het lidmaatschap er een vereist. Voor een cliënt die het lidmaatschap als waarborg leest, is dat verschil wezenlijk.
De keten hoeft overigens niet te worden afgeleid; hij staat op de site van de vereniging zelf. Onder het kopje met de erkende opleidingen schrijft zij bij een van de opleiders dat therapeuten die de opleiding succesvol afronden zich kunnen aansluiten bij de vereniging en in aanmerking komen voor vergoeding via zorgverzekeraars. Opleiding, lidmaatschap en vergoeding, in één zin, door de partij die het lidmaatschap verstrekt. In het curriculum van een van die opleidingen staat daarbij uitdrukkelijk laboratoriumdiagnostiek vermeld. Uit de publiek beschikbare curriculumomschrijving kon niet worden vastgesteld of daarin ook de vier in deel I besproken commerciële tests worden onderwezen; laboratoriumdiagnostiek kan evengoed reguliere bepalingen omvatten.
En er loopt nog een tweede route langs alle keurmerken heen. Bij een van de vermelde opleidingen staat een mastertitel van een buitenlandse pauselijke universiteit, met daarbij de mededeling dat die titel al na het derde jaar mag worden gevoerd en dat het accreditatietraject van het private instituut daarvoor niet vereist is. Dat is een titel die buiten de NVAO én buiten het private keurmerk om tot stand komt.
En dan het punt waar het om draait. De vakopleidingen zelf zijn niet geaccrediteerd door de NVAO, de bij wet ingestelde accreditatieorganisatie voor het hoger onderwijs. Zij zijn geaccrediteerd door private instituten: SNRO, CPION en KTNO. Dat laatste is er zelf het duidelijkst over: het schrijft dat de opleidingen die het accrediteert geen wettelijk erkend mbo- of hbo-diploma opleveren, en dat het geen beroepsvereniging is maar een accreditatieplatform.
Diezelfde pagina laat bovendien zien hoe de erkenning praktisch tot stand komt. Het instituut biedt de beroepsverenigingen gratis online software aan waarmee zij die erkenningen kunnen afgeven, en administreert die erkenningen vervolgens zelf. De partij die de accreditatie verleent, levert dus het gereedschap waarmee zij wordt erkend, en houdt daar ook de boekhouding van bij.
En dat instituut noemt ook waar de vraag vandaan kwam. Op de eigen site staat dat zorgverzekeraars de vakverenigingen en specialisten in dit veld hebben verzócht gebruik te maken van onafhankelijke accreditatie-instituten, om de kwaliteit van het onderwijsaanbod te verbeteren en te bewaken. De keten is dus niet uit zichzelf ontstaan: de verzekeraar vroeg om kwaliteitsborging, en wat hij terugkreeg was private accreditatie. Dat sluit aan op wat verderop in dit hoofdstuk staat over de rekening die bij diezelfde verzekeraar terechtkomt.
En het register schrijft de cirkel zelf op. In het protocol met de toelatingsvoorwaarden staat dat, zolang de geaccrediteerde opleidingen nog onvoldoende algemeen geldend zijn voor het veld of voor een specifieke therapievorm, beroepsorganisaties genoodzaakt zijn om zelf de beroepsopleiding te waarderen. Accreditatie door een van de private instituten staat er bovendien als bij voorkeur, niet als eis. Zelfs het private keurmerk is dus een voorkeur, en waar het ontbreekt beoordeelt de vereniging de opleiding van haar eigen aspirant-leden.
En dan is er nog de manier waarop dat niveau kan worden opgebouwd. Hetzelfde protocol rekent praktijkervaring om in studiepunten: wie gemiddeld acht werkuren per week praktijk draait, ontvangt daarvoor twintig studiepunten per praktijkjaar, bij meer uren naar rato, tot een maximum van zestig per jaar — waardoor de vereiste stapeling, in de bewoordingen van het protocol zelf, in één jaar kan worden bereikt. Het niveau dat als hbo-conform naar buiten komt, kan dus voor een aanzienlijk deel bestaan uit het draaien van de eigen praktijk, gewaardeerd door de eigen beroepsvereniging.
Een van de opleidingsinstituten zegt dat op de eigen site opvallend openhartig: de accreditatie is conform hbo opleidingsniveau en komt sterk overeen met de NVAO waarden en toetsingsnormen, en men beschrijft zichzelf als een privaat opleidingsinstituut. Dat is een correcte en nette formulering, en zij zegt precies wat er staat: het niveau wordt vergeleken met de norm, het is niet die norm.
Let daarom op drie woorden die in deze sector veel werk doen.
| Wat er staat | Wat het betekent |
|---|---|
| Op hbo-niveau | Een uitspraak over het niveau, geen door de overheid erkend hbo-diploma in dat vak |
| Hbo-conform | Idem, en het woord conform zegt het zelf: gelijkvormig aan, niet gelijk |
| Erkend | Erkend door wie? Hier: door private accreditatie-instituten en door beroepsverenigingen, niet door de overheid |
| Niveau gelijk aan NLQF 6 | Een zelf verklaarde gelijkstelling aan een schaal, geen inschaling door de instantie die die schaal beheert |
En er is een vierde woord bij gekomen, dat zwaarder weegt dan de drie hierboven: NLQF. Het Nederlands kwalificatieraamwerk is geen privaat keurmerk maar een overheidsinstrument met acht niveaus, gekoppeld aan het Europese EQF. Sinds de Wet NLQF — aangenomen door de Tweede Kamer op 9 april 2024, door de Eerste Kamer op 25 juni, gepubliceerd op 24 juli — heeft het een wettelijke grondslag, is het Nationaal Coördinatiepunt een zelfstandig bestuursorgaan, en is de inschaling van niet-gereguleerde opleidingen een wéttelijke taak.
Twee dingen die het raamwerk zelf benadrukt, en die het misbruik ervan zo aantrekkelijk maken. Het eerste staat op de site van de Rijksoverheid: het NLQF zegt niets over de kwaliteit van opleidingen. Het meet niveau, niet deugdelijkheid. Het tweede staat in het advies waarop het raamwerk is gebouwd: een NLQF-niveauaanduiding geeft geen recht op titels of graden. En het coördinatiepunt zegt over zichzelf dat het geén accrediteringsorganisatie is.
Waar het dan misgaat, is in één voorzetsel. Een kwalificatie kan worden ingeschaald — beoordeeld door het coördinatiepunt en opgenomen in het openbare NLQF-register, waar iedereen het kan nakijken. Dat is iets anders dan de formulering die de beroepsvereniging op haar aanmeldpagina hanteert: dat het lid beschikt over een werk-, denk- en opleidingsniveau gelijk aan NLQF level 6, 7 of 8. Dat is geen inschaling maar een zelf verklaarde gelijkstelling. Het is exact dezelfde beweging als bij hbo-conform: de schaal wordt geleend, de instantie die hem beheert wordt overgeslagen. Het register van de complementaire zorg doet het op dit punt overigens netter; dat verwijst uitdrukkelijk naar een waardering door het coördinatiepunt NLQF, en dat is wel de juiste route.
En hier houdt de vrijblijvendheid op. Bij hbo-conform kun je hooguit zeggen dat het misleidend oogt. Bij NLQF is er sinds de wet toezicht op rechtmatig gebruik van de niveauaanduidingen, met een monitoringsaanpak die begint met een gesprek en kan eindigen in een bestuurlijke boete op grond van de beleidsregel bij de WHW, de WEB en de Wet NLQF. Bovendien geldt sinds de wet uitdrukkelijk dat onderdelen van opleidingen — modules, certificaten, microcredentials — geen niveauaanduiding meer mogen dragen, en niet automatisch het niveau hebben van de volledige kwalificatie. Een losse module medische basiskennis is zo’n onderdeel.
Wat ik hier niet heb gedaan, en wat de moeite waard is: het NLQF-register is openbaar. Wie wil weten of een opleiding werkelijk is ingeschaald, kan dat opzoeken in plaats van afgaan op de folder. Ik heb dat register niet doorzocht, dus ik beweer niet dat deze opleidingen er niet in staan — alleen dat de formulering op de aanmeldpagina niet zegt dat zij er wél in staan.
De keten is gesloten, en dat is de kern. Een opleider wordt geaccrediteerd door een privaat instituut, dat instituut is aangesloten bij een brancheorganisatie voor complementair onderwijs, die accreditatie wordt erkend door de beroepsverenigingen, en het lidmaatschap geeft toegang tot het private register. Let hier op de volgorde, die vaak wordt omgedraaid: het register geeft géén AGB-code uit. Alleen Vektis doet dat, en het register verlangt een béstaande AGB-code juist als toelatingsvoorwaarde. Een AGB-code maakt declareren administratief mogelijk; of er daadwerkelijk wordt vergoed, hangt af van de polis, de therapievorm en de beroepsorganisatie.
Elke schakel erkent de volgende, en geen enkele schakel ligt buiten de sector. Dat is een beschrijving van de institutionele verhoudingen en niet van iemands bedoelingen: accreditatie en erkenning vinden hier binnen een privaat stelsel plaats, en dat is iets anders dan publieke accreditatie door de NVAO. Het punt is niet dat daar opzet achter zit, maar dat het verschil voor deelnemers en cliënten zichtbaar hoort te zijn. En de keten heeft één gevolg dat er wél buiten ligt: de rekening die bij de verzekeraar terechtkomt.
De vraag die dit checkbaar maakt is dus niet is de opleiding erkend, want het antwoord daarop is ja. De vraag is: erkend door wie, en ligt die partij buiten de kring die zij beoordeelt? Dat is dezelfde vraag die je stelt bij een onderzoek dat door de fabrikant is betaald, en zij is hier even verhelderend.
En wat zeggen die accreditatie-instituten zelf?
Nagezocht, en het aardige is dat zij het zelf helder uitleggen. Er is geen onthulling nodig.
SNRO omschrijft zich als een onafhankelijk instituut dat accreditaties verzorgt voor al het private, niet door de overheid bekostigde onderwijs, en zegt daarbij gebruik te maken van de normen en standaarden uit het reguliere hbo, dus de NVAO-standaarden. De norm wordt dus geleend, niet toegepast door de instantie die hem stelt. Daar is inmiddels iets bijgekomen: de SNRO kondigt op de eigen site aan te stoppen. Er worden geen nieuwe initiële accreditaties meer aangenomen en voor bestaande instituten geldt een afbouwregeling, waarbij onder voorwaarden nog één heraccreditatie mogelijk is. In het register staan op dit moment nog de orthomoleculaire en kPNI-opleidingen die toegang geven tot het lidmaatschap. Dat ontkracht het punt hierboven niet maar scherpt het aan. Bestaande accreditaties blijven voorlopig geldig — de laatste lopen volgens de eigen toelichting uiterlijk vóór juli 2032 af — maar de schakel die de norm leende is in afbouw en zal verdwijnen. Wat de waarde is van een keurmerk waarvan de uitgever ermee ophoudt, is een vraag die de sector zelf zal moeten beantwoorden.
CPION vraagt precisie. Het instituut omschrijft zichzelf als een private organisatie die post-initiële opleidingen toetst en als registeropleiding opneemt. De scherpere formulering die hier vaak bij wordt aangehaald — dat post-hbo-opleidingen buiten de accreditatie in opdracht van de NVAO vallen, dat de overheid ze niet controleert en dat de aanduiding post-hbo niet is beschermd — staat niet op de site van CPION zelf, maar bij een opleider die met CPION werkt. Feitelijk klopt zij; als citaat van CPION zou zij verkeerd zijn toegeschreven.
En dan de toetsingsprocedure zelf, in zes stappen op de eigen site. De opleider vraagt de toetsing aan en ontvangt een pakket met daarin een door hem te ondertekenen opdrachtbevestiging, tevens factuur. Hij beschrijft vervolgens zelf de opleiding die getoetst moet worden. Daarna, en dit is stap drie, stelt hij zelf een adviescommissie samen, en de verklaring die die commissie invult en ondertekent moet een positief oordeel bevatten over de inhoud en de relevantie van de opleiding. Pas daarna gaat het dossier naar de toetsingscommissie van het instituut, die adviseert aan het bestuur van de bijbehorende stichting, en dat bestuur volgt — in de woorden van het instituut zelf — als regel de aanbeveling.
Lees die drie elementen achter elkaar. De beoordeelde betaalt, beschrijft zijn eigen opleiding, en levert een verklaring aan van een commissie die hij zelf heeft samengesteld en die volgens het procedurevoorschrift positief moet luiden. Dat is geen verwijt dat hier iemand onzorgvuldig werkt; het is de vaststelling dat het instrument zo is ontworpen dat een negatief oordeel vóór de toetsing al is uitgesloten. Het instituut vat het zelf samen in de kop boven die pagina: het noemt zijn registratie het diploma voor diploma’s.
En de wettelijke werkelijkheid daarnaast. Alleen de NVAO kan in Nederland de status hbo toekennen, en erkende opleidingen staan in het centrale register voor het hoger onderwijs. Corrigeer daarbij één misverstand dat de instituten zelf in stand houden: het onderscheid loopt niet tussen bekostigd en particulier onderwijs, maar tussen wél en niet door de NVAO erkend — ook een particuliere opleiding kan door de NVAO worden geaccrediteerd en geeft dan een wettelijk erkende graad. Een registeropleiding in het complementaire veld is geen hbo en geen bachelorgraad; zij kan wel hbo-conform worden geaccrediteerd.
Het oordeel hoeft dus niet te leunen op wat de opleiders zelf zeggen. Het klopt wat zij zeggen, en het klopt ook wat er níet staat.
Eén punt blijft hier bewust buiten beschouwing. Er is in 2022 bericht dat de accreditatieorganisatie voor het hoger onderwijs bezwaar maakte tegen het gebruik van de woorden accreditatie en hbo-niveau in dit veld. Dat bericht kwam van een partij met een uitgesproken standpunt en berustte op een e-mail die ik niet zelf heb gezien. Bevestiging was niet te krijgen, en dan hoort het weg. De neutrale feiten hierboven dragen het punt ook zonder, en zij zijn controleerbaar op de sites van de instituten zelf.
Het tuchtcollege: wat het kan opleggen, en waarover het oordeelt
Op 27 juli 2026 nagezocht op de eigen site van het tuchtcollege, en dit maakt het plaatje af.
Eén opmerking vooraf over de versie, want ook hier speelt hetzelfde probleem. Er circuleren meerdere versies naast elkaar. Een pdf met in de kopregel oktober 2024, waarvan het slotartikel vermeldt dat hij is vastgesteld op 6 december 2022. Een versie van maart 2025, vastgesteld en in werking getreden op 20 maart 2025. En op de downloadpagina staat daarnaast nog een versie uit 2019. De hier aangehaalde bepalingen zijn getoetst aan de actuele versie: het reglement van mei 2026, vastgesteld en in werking getreden op 6 mei 2026, dat op de downloadpagina staat naast de als vervallen aangemerkte versie van 2025.
Tussen die versies is bovendien iets veranderd dat de klager raakt. Tot en met maart 2025 kon de klager zonder meer hoger beroep instellen. In de versie van mei 2026 staat dat hij dat kan voor zover de klacht is afgewezen of ongegrond verklaard, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard. Wie zijn klacht gegrond ziet verklaard maar de opgelegde maatregel te licht vindt, kan daar sindsdien dus niet meer tegen op. Voor de beklaagde geldt die inperking niet.
De maatregelen zijn: waarschuwing, berisping, voorwaardelijke of onvoorwaardelijke schorsing van de inschrijving bij de aangesloten beroepsorganisatie voor maximaal één jaar, en doorhaling van die inschrijving, die sinds de versie van maart 2025 eveneens voorwaardelijk kan worden opgelegd. Bij een voorwaardelijke maatregel kan een proeftijd van maximaal twee jaar worden vastgesteld; die twee termijnen worden vaak verward. Er is geen geldboete.
Let op wat er geschorst of doorgehaald wordt: de inschrijving bij de beroepsorganisatie. Niet een bevoegdheid, want die is er niet.
Twee openbaarmakingen, en die worden vaak verward. De uitspraak zelf wordt geanonimiseerd gepubliceerd; dat is geen keuze. Facultatief is alleen de aánvullende openbaarmaking van de opgelegde maatregel: het college kan bepalen dat die openbaar wordt gemaakt, op een door hem te bepalen wijze. Bij het wettelijke tuchtrecht ligt dat anders, al vraagt ook dat precisie: uitspraken worden standaard geanonimiseerd gepubliceerd, en maatregelen die de beroepsuitoefening beperken — schorsing, gedeeltelijke ontzegging en doorhaling — worden bovendien onder naam bekendgemaakt, via een aantekening in het BIG-register, de Staatscourant en een regionale krant. Een waarschuwing, berisping of geldboete gaat niet onder naam naar buiten, tenzij het college daartoe besluit.
Er zit wel één echte tand in. Is de beroepsbeoefenaar via het register aangemeld bij een zorgverzekeraar, dan worden schorsing en schrapping aan die verzekeraar gemeld. Dat raakt de vergoeding, en dat is in de praktijk zwaarder dan het verlies van een schildje aan de muur.
| Wettelijk tuchtrecht | Dit college | |
|---|---|---|
| Zwaarste maatregel | Doorhaling in het BIG-register: verlies van de beschermde titel en van de aan de registratie verbonden bevoegdheden | Doorhaling van een lidmaatschap |
| Geldboete | Ja, tot 4.500 euro | Nee |
| Publicatie | Geanonimiseerd standaard; beroepsbeperkende maatregelen onder naam, ook in de Staatscourant en een regionale krant | Uitspraak geanonimiseerd standaard; openbaarmaking van de maatregel alleen als het college dat besluit |
| Uitschrijven | Blijft onverkort gelden | Geen ontsnapping, wel een lege sanctie |
En waarover gaat het dan feitelijk?
Dit is de vraag die in kritieken meestal open blijft, en het antwoord is veelzeggender dan een aantal.
Het college publiceert een selectie van geanonimiseerde uitspraken, geordend op onderwerp. Die rubricering is niet volledig en zij dekt de inhoud van de zaken niet altijd. Loop de onderwerpen langs: seksuele intimidatie, grensoverschrijdend gedrag, gebrek aan professionele distantie, schending van het beroepsgeheim, geheimhoudingsplicht, stalking, een relatietherapeut die een relatie met een cliënt kreeg, de meldcode huiselijk geweld, omgaan met feedback.
Let op wat deze selectie wel en niet laat zien. Zij gaat overwegend over professionele grenzen, geheimhouding, dossiervoering en doorverwijzen. Maar zij bevat ook uitspraken waarin de inhoud en de risico’s van een behandelmethode worden beoordeeld — en daarbij is de herkomst van belang, want die wordt makkelijk over het hoofd gezien. De meest inhoudelijke zaak betreft een ayurvedische behandeling: er werd een deskundige gehoord, de methode werd gewogen op nut, risico en wetenschappelijke onderbouwing, en de behandeling werd onverantwoord genoemd. Die zaak is echter beslist in 2002 en in hoger beroep in 2003, door de Raad van Toezicht en het Hof van Toezicht van een voorgangerorganisatie en onder een ander reglement; in de uitspraak staat er met zoveel woorden bij dat het de laatste zaak was die nog onder die regeling viel. Hetzelfde geldt voor de iriscopiezaak, die eveneens een inhoudelijk oordeel bevat. Daarin ging het om een vrouw bij wie reguliere artsen de ziekte van Crohn vermoedden: de therapeut nam geen behoorlijke anamnese af, raadde terugkeer naar de reguliere zorg af, en verwees haar niet terug ondanks gewichtsverlies, koorts en een voelbare zwelling in de buik, terwijl hij bleef vertrouwen op wekelijkse iriscopische controles. Kort na beëindiging van de behandeling werd zij opgenomen en werd een deel van haar dunne darm verwijderd. Het scherpste oordeel kwam via de deskundige die de therapeut zélf had meegebracht: die verklaarde dat veranderingen in de iris pas na ongeveer een jaar zichtbaar worden, waarop het Hof concludeerde dat de wekelijkse controles nutteloos waren en dat de therapeut er ten onrechte volledig op had vertrouwd. De klacht werd gegrond verklaard en de man werd uit de vereniging gezet en uit het register geschrapt. Ook deze zaak is echter van de Raad van Toezicht en het Hof van Toezicht van dezelfde voorgangerorganisatie, in eerste aanleg op 14 april 1998 en in hoger beroep behandeld op 1 december 1998. Een derde zaak, over de geheimhoudingsplicht, dateert eveneens van 1998 en komt van dezelfde voorganger. Er wórdt in deze verzameling dus inhoudelijk getoetst — en niet zuinig: methoden zijn onverantwoord en nutteloos genoemd, met deskundigen erbij. Maar alle drie de zaken waarin dat gebeurt komen van voorgangerorganisaties, uit 1998, 1998 en 2002. Niet van het huidige college, en niet uit dit decennium. Het huidige reglement geeft het college overigens wél uitdrukkelijk de bevoegdheid deskundigen te benoemen. Wat ik in de op 27 juli 2026 gepubliceerde selectie niet heb aangetroffen, is een uitspraak waarin de juistheid van een commerciële test, een productclaim of een supplementclaim centraal stond. Die vaststelling gaat over wat op die datum was gepubliceerd en niet over wat het college zou kunnen of willen toetsen — en dat voorbehoud hoort er telkens bij te blijven staan, ook in een samenvatting. Voor een cliënt die het lidmaatschap als kwaliteitswaarborg leest, is dat het verschil dat zij moet kennen.
Eén detail uit die oude zaak is veelzeggend zodra je beide teksten naast elkaar legt. De zitting van 2002 was een openbare zitting; in de uitspraak staat zelfs vermeld in welk zalencomplex zij plaatsvond. Het huidige reglement bepaalt dat de zittingen niet openbaar zijn. Op dat punt is deze regeling in de loop van de tijd dus geslotener geworden, niet opener.
Twee kanttekeningen. Dit is een door het college zelf gekozen selectie en geen volledige database, dus over aantallen valt er niets uit af te leiden. En de klager houdt in alle gevallen de weg open naar de inspectie, de civiele rechter of het Openbaar Ministerie; dat staat er met zoveel woorden bij.
Twee leden, twee stelsels, en de vraag of iemand dat weet
Nog een gevolg dat zelden wordt opgemerkt. Deze vereniging richt zich op artsen én therapeuten; in haar eigen openbare opleidingsinformatie gebruikt zij de aanduiding orthomoleculair therapeut/arts.
Voor het lid dat arts is, geldt het wettelijk tuchtrecht onverkort, ook voor wat hij als orthomoleculair behandelaar doet. De tweede tuchtnorm van artikel 47 ziet namelijk op elk handelen in die hoedanigheid dat in strijd is met een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
Voor het lid dat geen BIG-registratie heeft, geldt dat niet.
Twee mensen, hetzelfde lidmaatschap, hetzelfde vignet aan de muur, en een wezenlijk verschillende aanspreekbaarheid. Voor een cliënt is dat verschil onzichtbaar, en het is precies het soort verschil dat zichtbaar hoort te worden gemaakt.
En voor de arts geldt nog iets, dat weinig bekend is
De KNMG heeft hiervoor een eigen handreiking, en die is strenger dan menigeen denkt. Zij heet De arts en niet-reguliere behandelwijzen, stamt uit 2008 en is in 2022 geactualiseerd. Zij geldt voor elke BIG-geregistreerde arts, ook wanneer die orthomoleculair of integratief werkt.
Begin bij het woord. De KNMG wijst de termen alternatief en complementair uitdrukkelijk af omdat zij tot misverstanden leiden, en de woorden geneeskunde en geneeswijzen eveneens. Zij spreekt van reguliere en niet-reguliere behandelwijzen. Regulier is daarbij gedefinieerd als wat berust op de kennis, vaardigheden en ervaring die nodig zijn om de artsentitel te behalen en te behouden, algemeen door de beroepsgroep is aanvaard, en deel uitmaakt van de professionele standaard. Niet-regulier is alles daarbuiten. Die definitie gaat dus niet over herkomst of over sympathie, maar over de vraag of iets tot de professionele standaard behoort.
Dan de norm die het dichtst bij dit stuk komt. De handreiking bepaalt dat artsen zich er voortdurend van bewust zijn dat hun diagnostiek, behandelwijzen en adviezen zijn omgeven met het gezag van de opleiding en de titel. Dat is precies het mechanisme dat in dit hoofdstuk telkens terugkeert, maar dan opgeschreven door de beroepsgroep zelf en gericht op haar eigen leden. Verder geldt dat elke behandeling begint bij een volgens de professionele standaard gestelde diagnose, dat de arts zich richt naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, en dat hij tegenover de patiënt een duidelijk onderscheid maakt tussen regulier en niet-regulier. De arts informeert de patiënt over effectiviteit, aard, duur en nevenwerkingen; kan de stand van de wetenschap daarover niets zeggen, dan moet de arts dát melden.
En dan de bepaling die het zwaarst weegt: wat er onder schade wordt verstaan. Niet alleen directe fysieke schade. Ook het bieden van valse hoop op genezing of verbetering. Ook het geven van onjuiste of incomplete informatie over de werkzaamheid van een behandeling. Ook het niet of niet tijdig inzetten, of het afraden, van algemeen aanvaarde diagnostiek en behandeling. En ook het ontkennen of ontkrachten van op reguliere wijze tot stand gekomen bevindingen, zoals een gestelde diagnose.
Let daarbij op de context waarin die opsomming staat, want die wordt vaak weggelaten. Zij hoort bij de situatie waarin een patiënt een geïndiceerde reguliere behandeling afwijst. De arts wijst haar dan op de mogelijke gevaren van het uit- of afstellen van die reguliere behandeling — het gevaar is dus specifiek het uitstel, niet een vaag risico. Volhardt zij in de afwijzing, of is er geen reguliere behandeling meer, dan biedt de arts niets aan dat schade kan berokkenen, in de brede zin hierboven. En daar staat een verplichting bij die absoluut is geformuleerd: het blijft te allen tijde tot de verantwoordelijkheid van de arts behoren om de patiënt te wijzen op het belang van reguliere behandelwijzen en daar steeds naar te verwijzen. Dat is geen inspanningsverplichting die vervalt zodra de patiënt nee heeft gezegd.
Lees dat naast deel I van dit stuk. Een test die iets meet dat niet is wat de uitslag suggereert, met een advies dat daaruit wordt afgeleid, levert onjuiste of incomplete informatie over werkzaamheid. Een tekort dat wordt vastgesteld met een methode die dat niet kan, is valse hoop op verbetering. Voor de arts is dat dus niet alleen een wetenschappelijk bezwaar maar een gedragsnorm van de KNMG, de eigen federatie van de arts — én een begrip dat aansluit op de strafbepaling uit de Wet BIG, waar de drempel eveneens schade of een aanmerkelijke kans daarop is.
Hoe die norm er is gekomen, verklaart ook waarom hij maar één kant bindt. Hij is niet onderhandeld maar getrokken, en achteraf. Sylvia Millecam overleed in 2001 aan borstkanker nadat zij door een groot aantal niet-reguliere behandelaars was behandeld, onder wie enkele artsen. In juni 2007 veroordeelde het Centraal Tuchtcollege die artsen — twee van hen werden voor het leven doorgehaald — en in juni 2009 volgde de strafrechter. Beide rechters formuleerden in die uitspraken algemene regels voor niet-regulier werkende artsen, en de handreiking verscheen daar in april 2008 middenin. Zij codificeert dus wat de rechter al had gezegd, voor de eigen leden, na een sterfgeval.
En zij wérkt, wat je van veel gedragsnormen niet kunt zeggen. Tuchtcolleges citeren haar in hun uitspraken woordelijk, tot en met de zinsnede dat het te allen tijde tot de verantwoordelijkheid van de arts blijft behoren om op het belang van reguliere behandelwijzen te wijzen. Maar zij reikt precies zo ver als het BIG-register: voor de niet-geregistreerde behandelaar aan de andere kant van diezelfde behandelkamer geldt zij niet.
Twee dingen die hier eerlijkheidshalve bij horen. Een handreiking is geen wet en geen richtlijn; zij is een gedragsnorm van de beroepsvereniging, die in het tuchtrecht wel als maatstaf kan worden gebruikt. En de handreiking verbiedt niet-regulier werken door artsen niet; zij omgeeft het met voorwaarden. Wie haar aanhaalt als verbod, citeert haar verkeerd. Binnen de beroepsgroep is de handreiking overigens omstreden, en het loont te weten in welke richting: de kritiek komt uit de strenge hoek. Critici lezen kernregel zeven van de gedragscode — handelen in overeenstemming met de professionele standaard — als een categorisch verbod, en verwijten de handreiking dat zij niet-aanvaarde methoden slechts laat afraden in plaats van verbieden. De KNMG antwoordt dat de professionele standaard geen regel is maar een kapstok die in onder meer handreikingen wordt uitgewerkt. Wie deze norm aanhaalt, haalt dus een ondergrens aan die een deel van de beroepsgroep nog te laag vindt. Aardig detail tot slot: ook dit document draagt twee data — de kopregel noemt 2008 met een actualisering in 2022, het colofon achterin noemt januari 2018. Dat euvel is dus niet voorbehouden aan de sector die in dit stuk wordt beschreven.
En weet de behandelaar dit zelf?
Dit is de vraag die het hele hoofdstuk van karakter verandert, en het eerlijke antwoord is dat ik het niet weet. Er is geen onderzoek onder deze beroepsgroep naar wat zij van dit stelsel begrijpt, en zonder zo’n onderzoek is elke uitspraak erover een gok. Maar de vraag is de moeite waard, want de structuur hierboven maakt één uitkomst wel erg waarschijnlijk.
Alles wat een behandelaar hierover te horen krijgt, komt namelijk uit dezelfde kring. De opleiding is geaccrediteerd door een privaat instituut. Datzelfde instituut levert de beroepsverenigingen de software waarmee zij die accreditatie erkennen, en administreert die erkenningen. Het register schrijft in zijn eigen protocol dat verenigingen wel gedwongen zijn hun opleidingen zelf te waarderen. Er is in die hele keten geen moment waarop iemand van buiten zegt: let op, conform hbo-niveau is geen hbo, en dit tuchtrecht is niet het tuchtrecht dat u denkt. De woorden zijn geleend, en de uitleg erbij komt van de partij die ze leende.
Zet daar de rekening naast. Een lid betaalt jaarlijks contributie — enkele honderden euro’s — en op de eigen site staat erbij waar die voor is: inclusief visitatie, klacht, geschillen, tucht. Wie dat betaalt, mag redelijkerwijs denken dat hij ergens ónder valt. Dat het reglement in artikel 21 lid 3 bepaalt dat het bestuur van de stichting de regels zelf vaststelt, staat in een pdf die vrijwel niemand ooit opent. Ik had hem zelf ook niet open gehad, en ik was er specifiek naar op zoek.
Eén tegenvoorbeeld hoort erbij, en het komt uit een aanpalende branche. De brancheorganisatie voor schoonheidsspecialisten bracht in maart 2026 een standpunt uit over vingerpriktesten en bloedanalyse in de salon, en noemt dat quasi-diagnostiek. Dat is scherper dan wat het veld eromheen over zichzelf zegt. Het is dus niet zo dat niemand het benoemt; het is zo dat het zelden gebeurt, en zelden op de plek waar het over de eigen keten gaat.
Dat verandert wie hier eigenlijk wordt aangesproken. Als een aanzienlijk deel van de mensen die dit uitvoeren zelf niet weet dat de waarborg waarvoor zij betalen minder is dan hij lijkt, dan zijn zij niet de partij die iets verzwijgt. Zij zijn de tweede lezer van dezelfde folder. Dat stond al in de verantwoording achterin als een kwestie van fatsoen; hier staat het als een vaststelling. En het geeft dit stuk een functie die het anders niet zou hebben: voor een deel van zijn lezers is het geen aanklacht maar informatie die zij nergens anders krijgen.
Deel III Het recht, en daar is de grond het hardst
Het levensmiddelenrecht kent geen alternatieve route
Alles hierboven gaat over beroepsnormen, en daar valt over te twisten: wie is aangesloten, wat stelt een code voor, wie toetst wat. Dit hoofdstuk gaat over iets anders, en daar is de grond aanzienlijk harder.
Zodra er een product bij komt, verandert de rechtsvraag. Niet meer: welke zorgverlener ben jij en bij wie ben je aangesloten. Maar: wat doe je met dit levensmiddel, en wat beweer je erover. Die twee vragen worden beantwoord door Europees levensmiddelenrecht, en dat kent geen complementair spoor, geen alternatieve variant en geen uitzondering voor wie zichzelf anders noemt.
Stap één: een supplement is een levensmiddel
De Europese richtlijn zegt het in één zin: voedingssupplementen zijn levensmiddelen. Daarmee valt alles wat ermee gebeurt onder de algemene levensmiddelenwetgeving.
Dat is geen classificatie waarover een beroepsgroep een eigen opvatting kan hebben. Zij volgt uit de wet en zij geldt voor iedereen die het product aanraakt.
Stap twee: verkopen maakt je exploitant van een levensmiddelenbedrijf
Een levensmiddelenbedrijf is volgens de verordening een onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen. De exploitant is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de levensmiddelenwetgeving in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft.
Daar staat geen ondergrens bij, geen omzetdrempel, en niet dat het je hoofdactiviteit moet zijn. Wie vanuit de praktijk structureel voedingssupplementen verkoopt of doorlevert, kan daarmee als exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden aangemerkt, met de bijbehorende verplichtingen. Of dat in een concreet geval zo is, hangt af van de feitelijke activiteit en rol — maar een drempel in omzet of omvang stelt de verordening niet.
Maar let op wat er níet staat, want dat is even belangrijk. De drie stadia zijn productie, verwerking en distributie. Advies staat er niet bij. Wie uitsluitend adviseert en geen product levert, is naar Europees recht dus géén exploitant van een levensmiddelenbedrijf, en de hele reeks hieronder geldt dan niet.
Dat is precies het gat dat België wél dicht: het Belgische besluit over het melden van bijwerkingen rekent het advies uitdrukkelijk tot de stadia. Nederland vangt de adviseur niet, België mogelijk wel. Die asymmetrie is geen detail maar de scherpste lijn in dit hele stuk.
Daaruit volgt een reeks verplichtingen die niets met beroepsnormen te maken heeft:
| Wat | Waar het uit volgt |
|---|---|
| Registratie bij de toezichthouder, per vestiging | Artikel 6 van de hygiëneverordening |
| Kunnen aanwijzen wie geleverd heeft, wanneer en hoeveel | Artikel 18 van de algemene levensmiddelenverordening |
| Die gegevens binnen vier uur bij de NVWA kunnen leveren | De beleidsregel die de open normen invult |
| Bij redenen om aan te nemen dat een levensmiddel mogelijk schadelijk is voor de gezondheid: melden, binnen vier uur | Artikel 19, derde lid |
| Meewerken aan een terugroepactie van de producent | Artikel 19, tweede lid |
Geen van deze vijf hangt aan een titel, een register, een lidmaatschap of een opleiding. Zij hangen aan de handeling.
Stap drie: het etiket, en waarom de eigen deskundigheidsclaim hier tegen je werkt
Deze bepaling is voor verkopende praktijken bijzonder relevant, omdat zij het tegenovergestelde doet van wat men zou verwachten.
Verordening 1169/2011 legt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de voedselinformatie bij degene onder wiens naam het product op de markt komt: de fabrikant of de importeur. Dat is de verkopende praktijk niet.
Maar in hetzelfde artikel staat een tweede regel, en die geldt wél:
Exploitanten die niet instaan voor de voedselinformatie, leveren geen levensmiddelen waarvan zij op grond van de informatie waarover zij als professionals beschikken weten of veronderstellen dat die niet aan de voedselinformatiewetgeving voldoet.
Lees de vetgedrukte woorden nog eens. De maatstaf is niet wat een gemiddelde koper ziet. De maatstaf is wat jij, gezien je vak, hoort te zien.
En daar zit de omkering. Wie zich presenteert als deskundige op het gebied van voeding en supplementen, verhoogt daarmee zijn eigen wettelijke maatstaf. Hoe groter de deskundigheid die je claimt, hoe meer je geacht wordt te zien, en hoe eerder je in overtreding bent wanneer je iets levert waarvan het etiket niet deugt.
De marketing en de aansprakelijkheid lopen hier dus in elkaars verlengde. Wie adverteert met bijzondere kennis van nutriënten, kan zich later niet beroepen op onwetendheid over een ontbrekende verbindingsvermelding, een dosering boven het nationale maximum of een claim die niet op de goedgekeurde lijst staat.
De wet neemt hier dus de eigen belofte serieus.
Stap vier: de claimregels, en de drie bepalingen die hier het hardst aankomen
Hier is een afbakening nodig die in kritieken vaak wordt overgeslagen.
Artikel 1, tweede lid, zegt dat de verordening van toepassing is op claims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame.
Dat betekent: op een etiket, in een folder, op een website, in een bericht op sociale media en bij een affiliate link gelden deze regels onverkort. Bij een mondeling advies in de behandelkamer zonder verkoop en zonder aanprijzing ligt het minder scherp; dat is niet zonder meer een commerciële mededeling.
Maar dat verweer verdampt zodra er iets te koop is, zodra er een folder ligt, of zodra er iets online staat. En dat is bij deze praktijk vrijwel altijd het geval.
Drie bepalingen raken haar dan rechtstreeks, en alle drie zijn woordelijk nagelezen.
Artikel 10, eerste lid. Een gezondheidsclaim is verboden tenzij hij is toegelaten en in het EU-register staat. Dat is de omkering die alles bepaalt: het gaat er niet om of iets ergens verboden is, maar of het uitdrukkelijk is toegestaan.
Artikel 12, onder c. Een claim mag niet verwijzen naar aanbevelingen van individuele artsen of beroepsbeoefenaren op het gebied van de volksgezondheid. Dat betekent dat een naam, titel of foto die bij een gezondheidsclaim de indruk van een persoonlijke aanbeveling wekt, onder dat verbod valt. Let op de reikwijdte: het verbod treft de claim en niet elke vermelding van een naam, en artikel 11 laat verwijzingen naar aanbevelingen van nationale beroepsverenigingen juist wél toe, onder nationale voorwaarden. Voor een praktijk waarvan het gezag juist op de persoon rust, is dat een zware beperking, en zij geldt onverkort.
Artikel 3, onder d. Een claim mag niet stellen, suggereren of impliceren dat een evenwichtige, gevarieerde voeding in het algemeen geen toereikende hoeveelheden nutriënten kan bieden.
Die laatste is eerder in dit stuk al genoemd, maar in deze context krijgt hij een extra lading. Het gaat hier niet om een ongelukkige formulering in een folder. Het is de leerstelling zelf, en zodra zij bij een product wordt gebruikt, is zij een verboden claim.
Stap vier en een half: de webshop kent een eigen regel
Eén bepaling die in dit verband bijna altijd wordt vergeten. Bij verkoop op afstand moet de verplichte etiketinformatie beschikbaar zijn vóór de koop wordt gesloten, met uitzondering van de houdbaarheidsdatum. De klant mag dus niet pas bij ontvangst kunnen lezen wat erin zit.
Een webshop die alleen een productfoto en een prijs toont, voldoet daar niet aan. Dit is een van de makkelijkst vast te stellen overtredingen die er bestaat, en zij komt veel voor.
Stap vijf: de grens naar het geneesmiddel
En dan de zwaarste. Of iets een geneesmiddel is, hangt af van twee dingen: van wat het doet, en van hoe het wordt gepresenteerd. Dat tweede heet het aandieningscriterium.
Dezelfde capsule kan daardoor juridisch als geneesmiddel naar aandiening worden gekwalificeerd, afhankelijk van hoe zij wordt gepresenteerd. Dat is geen kwestie van één zin: de beoordeling betreft de presentatie als geheel, van etiket en verpakking tot de teksten eromheen. Wie zegt of schrijft dat een product een aandoening behandelt, voorkomt of geneest, heeft niet de claimregels overtreden maar een geneesmiddel zonder handelsvergunning in de handel gebracht. Dat is een andere orde van ernst.
En de regel reikt verder dan de expliciete genezingsbelofte. Artikel 7, derde lid, van Verordening 1169/2011 verbiedt niet alleen het toeschrijven van zulke eigenschappen maar ook het maken van toespelingen daarop; het vierde lid trekt dat verbod door naar reclame en aanbiedingsvorm. Toespelingen dus ook, en dat raakt de suggestieve formulering die net geen ziekte noemt. In Nederland loopt de handhaving via het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen, en daarnaast verbiedt artikel 20 van de Warenwet het aanprijzen van eet- en drinkwaren met vermeldingen die zulke eigenschappen toeschrijven of die daarop toespelingen maken. Let bij het citeren op één onderscheid dat vaak misgaat: artikel 19 ziet uitdrukkelijk op waren die géén eet- of drinkwaren zijn en is voor een supplement dus niet de juiste bepaling. Wat de nationale regel hier níet doet, is verder gaan dan de Europese: het element toespelingen staat in allebei.
En het stelsel sluit de ontsnappingsroute zelf af. Artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat bij twijfel, wanneer een product zowel onder de omschrijving van geneesmiddel valt als onder die van een product uit andere regelgeving, de geneesmiddelenregels van toepassing zijn. De Geneesmiddelenwet bepaalt in artikel 1 hetzelfde voor het nationale recht, en artikel 2 van Verordening 178/2002 plaatst geneesmiddelen bovendien buiten het begrip levensmiddel. Bij samenloop wint dus het zwaarste regime.
Wat dit alles bij elkaar betekent
Zet de twee helften van dit stuk naast elkaar en het beeld is scherp.
Over de beroepsnormen valt te discussiëren: er is een code, er is een privaat toezicht, en de zwaarste sanctie is het verlies van een registratie. Dat is een zwak systeem en dat mag gezegd.
Over het levensmiddelenrecht valt veel minder te discussiëren. Het gaat niet over wie je bent maar over wat je doet. Het wordt gehandhaafd door de NVWA en het FAVV, niet door een beroepsvereniging. Er is hier niets om je uit te schrijven, want er is geen register dat je kunt verlaten. En de eigen deskundigheidsclaim verhoogt de maatstaf in plaats van hem te verlagen.
Het toezicht dat hier geldt komt dus uit een andere hoek dan waar doorgaans naar wordt gekeken.
Onder welke wetten valt iemand die nergens bij is aangesloten?
Dit is de vraag die het vaakst wordt gesteld en het slechtst wordt beantwoord. Het antwoord is niet nergens onder, en het is in Nederland en België fundamenteel verschillend.
Neem de concrete figuur: iemand zonder BIG-registratie en zonder aansluiting bij een beroepsvereniging of register. Zij onderzoekt cliënten met een bloedpakket, een haarmineraalanalyse of een darmfloratest, en adviseert en verkoopt op grond daarvan supplementen.
Nederland: het mag, en daarom regelt de wet de gevolgen
1. De WGBO geldt, en dat verrast bijna iedereen.
Artikel 7:446 lid 2 omschrijft handelingen op het gebied van de geneeskunst als alle verrichtingen, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen.
Onderzoeken staat er. Raad geven staat er. Gezondheidstoestand beoordelen staat er. Wie testen afneemt en op grond daarvan adviseert, doet precies wat daar omschreven staat, en wie dat in de uitoefening van een beroep of bedrijf doet, sluit een behandelingsovereenkomst.
Daarmee gelden: informed consent, de dossierplicht, de bewaartermijn van twintig jaar, het inzagerecht van de cliënt en de geheimhoudingsplicht. Precies zoals de wet voorschrijft, en zonder dat er een beroepsvereniging aan te pas komt.
2. De Wkkgz geldt, en dat staat er letterlijk.
De wetgever noemt aanbieders van alternatieve geneeswijzen en solistisch werkende zorgverleners uitdrukkelijk. Verplicht zijn: goede zorg, een gratis onafhankelijke klachtenfunctionaris, aansluiting bij een erkende geschilleninstantie, een interne regeling om incidenten te melden, en het melden van calamiteiten bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Die inspectie houdt ook toezicht op zelfstandigen met eigen cliënten.
De geschilleninstantie geeft een bindend oordeel binnen zes maanden en kan een schadevergoeding toekennen tot vijfentwintigduizend euro.
3. De Wet BIG geldt op drie punten.
Artikel 96 stelt strafbaar wie bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt. Dat geldt voor iedereen, met of zonder titel. De bepaling kent twee treden: wie wist of ernstige reden had om het te vermoeden, pleegt een misdrijf; zonder dat wetensvereiste blijft het een overtreding. En let op het derde lid, dat in dit verband zelden wordt genoemd: bij een veroordeling kan de rechter iemand ontzetten uit het recht het betrokken beroep uit te oefenen. Dat is de enige route in dit hele dossier waarlangs een niet-BIG-geregistreerde behandelaar zijn praktijk daadwerkelijk kan verliezen — niet via een register, maar via de strafrechter.
Daarnaast de voorbehouden handelingen: wie niet zelfstandig bevoegd is, mag ze alleen verrichten in opdracht van een bevoegde en alleen wanneer hij bekwaam is. Dat raakt rechtstreeks wie bloed afneemt voor een testpakket, want een venapunctie is een punctie en daarmee voorbehouden.
En de titelbescherming: beschermde titels mogen niet worden gevoerd.
4. Bij verkoop komt het hele levensmiddelenrecht erbij, zoals hierboven beschreven: registratie, traceerbaarheid, de etiketverantwoordelijkheid, de claimregels en de grens naar het geneesmiddel.
5. En verder de AVG voor de gezondheidsgegevens die worden verwerkt, het gewone aansprakelijkheidsrecht, en het verbod op misleidende handelspraktijken.
De Nederlandse logica is dus: het mag, en de wet regelt de gevolgen. De trekker is schade, of het risico daarop.
België: het mag in beginsel níet, en dat is een andere logica
Hier ligt het wezenlijk anders, en dit is het scherpste verschil tussen de twee landen in dit hele dossier.
De gecoördineerde wet van 10 mei 2015 omschrijft de geneeskunde via haar tegendeel. Artikel 3, paragraaf 1, tweede lid:
Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die niet aan alle voorwaarden voldoet, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysieke of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand.
Lees dat naast onze figuur en het loopt op vier punten samen:
| Wat de wet noemt | Wat de praktijk doet |
|---|---|
| Gewoonlijk verrichten | Dit is haar beroep, niet een eenmalig voorval |
| Het onderzoeken van de gezondheidstoestand | Bloedpakket, haaranalyse, darmfloratest |
| Het opsporen van ziekten en gebrekkigheden | Tekorten en disbalansen opsporen |
| Werkelijke of vermeende pathologische toestand | Ook een toestand die er niet blijkt te zijn, telt mee |
En let vooral op de zinsnede of wordt voorgesteld tot doel te hebben. Dat is hetzelfde mechanisme als het aandieningscriterium bij het geneesmiddel: niet wat je doet telt, maar ook wat je zegt dat je doet.
Artikel 122 stelt daar een straf op: acht dagen tot zes maanden gevangenisstraf en een geldboete van vijfhonderd tot vijfduizend euro, of een van beide. Die bedragen staan zo in de wettekst, maar Belgische strafrechtelijke geldboetes worden vermenigvuldigd met de opdeciemen, momenteel factor acht, zodat het feitelijk om vierduizend tot veertigduizend euro gaat.
Het beslissende verschil: er is geen schade nodig. In Nederland moet er schade of een aanmerkelijke kans op schade zijn voordat artikel 96 in beeld komt. In België is de handeling zelf al de overtreding.
Daarbovenop gelden voor wie wél onder de wet valt de Kwaliteitswet van 2019 en de Wet Patiëntenrechten. En het levensmiddelenrecht geldt identiek, met daar bovenop de Belgische registratie bij het FAVV en de nutrivigilantie-meldplicht - waarvan de operatordefinitie, zoals eerder besproken, het advies uitdrukkelijk noemt.
Twee eerlijke kanttekeningen
De Belgische omschrijving is zo ruim dat zij in de eigen rechtsleer omstreden is. Er zijn Belgische juristen die haar te ruim vinden, en de vraag of zij in deze vorm houdbaar is, is daar een lopend debat. Wie haar aanhaalt, moet dat erbij zeggen.
En ruim op papier is niet hetzelfde als streng in de praktijk. De straffen zijn laag en vervolging is zeldzaam. De kaderwet over niet-conventionele praktijken uit 1999, de wet-Colla, is bovendien nooit volledig uitgevoerd — alleen voor homeopathie kwamen uitvoeringsbesluiten — en is eind november 2025 opgeheven, zonder dat er een nieuw kader voor in de plaats kwam. Het verschil tussen de twee landen zit dus vooral in de norm, en veel minder in de handhaving.
Waar het op neerkomt
| Nederland | België | |
|---|---|---|
| Mag het? | Ja | In beginsel niet, als het onderzoeken of opsporen omvat |
| Wat is de trekker? | Schade of een aanmerkelijke kans daarop | De handeling zelf |
| Dossier en toestemming | WGBO, ongeacht aansluiting | Wet Patiëntenrechten, voor wie onder de wet valt |
| Klacht en geschil | Wkkgz, ongeacht aansluiting | Kwaliteitswet en ombudsdienst |
| Bij verkoop | Identiek, want Europees | Identiek, plus FAVV en nutrivigilantie |
Wie dus zegt dat een niet-aangesloten therapeut buiten de wet valt, heeft het in beide landen mis. In Nederland valt hij onder meer wetten dan hij vermoedt. In België doet hij mogelijk iets wat op zichzelf al verboden is.
De hier aangehaalde Belgische bepalingen zijn gelezen in betrouwbare weergaven en in een juridisch tijdschriftartikel. Voor toepassing in een concreet geval geldt de officiële uitgave, en verdient het onderwerp de beoordeling van een Belgische jurist.
Deel IV De context, en het gesprek
Wat er sinds kort anders ligt
Tot voor kort was de tegenstelling: een alternatieve leer tegenover niets. Wie aandacht voor voeding wilde, moest daarvoor buiten de reguliere zorg. Dat is niet meer zo, en dat verandert het gesprek fundamenteel.
Er is een richtlijn: de NVDV-richtlijn Leefstijl bij huidaandoeningen uit 2026, opgesteld door een multidisciplinaire commissie met dermatologen, diëtisten en patiëntenverenigingen, met modules over voeding, supplementen, alcohol en roken, stress en beweging.
Er is een netwerk: Vereniging Arts en Leefstijl, van en voor BIG-geregistreerde zorgprofessionals, met het Leefstijlroer en de Leefstijlcheck.
Er is een programma in de ziekenhuizen dat leefstijl structureel onderdeel van de behandeling wil maken.
En met het Integraal Zorgakkoord, gesloten in 2022 en lopend tot en met 2026, heeft leefstijl een vaste plek gekregen in de afspraken over de curatieve zorg.
Daarmee vervalt het sterkste argument voor deze werkwijze. De aandacht voor voeding is geen alleenrecht meer, en er is eindelijk een adres om naartoe te verwijzen.
Twee zinnen uit die richtlijn zijn bovendien eerlijker dan wat in de onderzochte bronnen staat: leefstijl kan deze aandoeningen niet genezen maar bepaalde aanpassingen kunnen helpen; en hoewel alles wijst op positieve effecten, is het bewijs beperkt en zijn de onderzoeken van lage kwaliteit. Verwijs bij publicatie naar de geautoriseerde tekst in de richtlijnendatabase, zodat de lezer het kan nalezen.
Hoe je dit in een gesprek gebruikt
Zegt een cliënt dat die therapeut tenminste de tijd voor haar nam: beaam dat. Het is waar, en het is waarschijnlijk beter dan wat zij elders kreeg.
Haal daarna de twee dingen uit elkaar die zij op één hoop legt:
| Wat de cliënt op één hoop legt | Hoe je het uit elkaar haalt |
|---|---|
| De kwaliteit van de aandacht | Was waarschijnlijk goed. Erken dat volledig |
| De kwaliteit van de redenering | Dat is het punt, en dat is iets anders |
Die scheiding is het hele gesprek. Wie ze niet maakt, vraagt de cliënt om haar ervaring te ontkennen, en dat doet zij niet, terecht.
Deel V Samenwerken kan wel, maar niet zomaar
Er is een stelling die je in dit debat aan beide kanten hoort, en zij is onjuist. Aan de ene kant: reguliere en complementaire zorg kunnen niet samenwerken, want het zijn twee werelden. Aan de andere kant: natuurlijk kunnen zij samenwerken, want de patiënt maakt dat onderscheid toch niet. Beide slaan de vraag over die ertoe doet. Samenwerken kan wel degelijk, en het gebeurt al — maar alleen op één manier, en die is het omgekeerde van wat er doorgaans onder wordt verstaan.
Integratieve oncologie bestaat, en zij is niet vrijblijvend
Wie wil weten hoe het wél kan, hoeft niet ver te zoeken. Er is een internationale beroepsvereniging, de Society for Integrative Oncology, met een eigen definitie: integratieve oncologie is een patiëntgericht, evidence-informed vakgebied binnen de kankerzorg dat lichaam-en-geestpraktijken, natuurlijke producten en leefstijlaanpassingen uit verschillende tradities inzet naast de reguliere behandeling.
In 2017 publiceerde zij een klinische richtlijn voor borstkanker, in 2018 onderschreven door de American Society of Clinical Oncology. Die richtlijn koppelt interventies — acupunctuur, acupressuur, meditatie, yoga, massage, muziektherapie, voedingssupplementen — aan specifieke klachten: angst, stress, depressieve klachten, vermoeidheid, slaapproblemen, misselijkheid, kwaliteit van leven. Niet: dit is alternatief en dus verdacht. Ook niet: dit is holistisch en dus goed. Maar: dit werkt aantoonbaar bij die klacht, dit niet, en hier weten we het niet.
Die laatste categorie is de belangrijkste, en de richtlijn benoemt haar zelf. In de samenvatting staat dat er groeiend bewijs is voor integratieve therapieën, met name lichaam-en-geestbenaderingen, als ondersteunende zorg — en in dezelfde adem dat veel integratieve praktijken onvoldoende zijn onderzocht, met te weinig bewijs om ze ondubbelzinnig aan te bevelen óf af te raden. Een richtlijn die dat over zichzelf opschrijft, doet iets wat in het veld dat dit stuk beschrijft nergens gebeurt.
In Nederland loopt hetzelfde spoor, zij het smaller. Er is een handreiking complementaire zorg in de palliatieve fase, in 2023 herzien, met een afzonderlijke versie voor kinderen. Er zijn ziekenhuizen met poli’s integrale oncologie. En er loopt onderzoek naar de mate waarin evidence-based complementaire zorg werkelijk wordt besproken en toegepast. Twee Nederlandse artsen die zich hiermee bezighouden vatten het samen in één zin: het gaat alleen over evidence-based interventies, net als in de reguliere zorg. En: integratieve zorg is een aanvulling, geen vervanging.
Wat die samenwerking mogelijk maakte
Kijk naar wat daar precies is gebeurd, want daar zit de hele les. De interventies kwamen van buiten de reguliere geneeskunde. Acupunctuur, meditatie, massage: geen daarvan is voortgekomen uit een academisch ziekenhuis. In die zin is integratieve oncologie werkelijk integratief. De methode kwam niet van buiten. Er is een uitgangsvraag geformuleerd, systematisch literatuur gezocht, op vertekening beoordeeld, zekerheid gegradeerd, commentaar verwerkt en geautoriseerd, en de belangen zijn vastgelegd — precies zoals beschreven aan het slot van deel I.
Samenwerking veronderstelt dus dat voor elke interventie dezelfde beoordelingsmethode geldt. Je mag met elk idee aankomen, uit welke traditie dan ook. Wat je niet mag meebrengen, is je eigen manier om te bepalen of het waar is.
De voorwaarden, en de eerlijkheid dat zij nergens zijn vastgelegd
Hier hoort een bekentenis bij die het betoog raakt. Er bestaat geen afgesproken kader dat beschrijft onder welke voorwaarden reguliere en complementaire zorg kunnen samenwerken. Ik heb ernaar gezocht en het is er niet. Wat er wél is, is de norm voor één kant: de KNMG-handreiking uit deel II. En die is, zoals daar beschreven, niet onderhandeld maar getrokken — eenzijdig, achteraf, na een sterfgeval, en bindend voor uitsluitend BIG-geregistreerden.
De vijf voorwaarden hieronder zijn daarom mijn reconstructie, afgelezen aan wat de integratieve oncologie feitelijk hééft gedaan. Zij zijn nergens vastgesteld en ik presenteer ze niet als kader. Dat er geen kader is terwijl er voortdurend over samenwerking wordt gesproken, is op zichzelf het vermelden waard.
Eén. Het gaat om een interventie, niet om een leer. Wat wordt beoordeeld is acupunctuur bij misselijkheid tijdens chemotherapie, niet de traditionele Chinese geneeskunde als verklaringsmodel. Het integreerbare is altijd een afgebakende handeling bij een afgebakende klacht. Een wereldbeeld kun je niet door een richtlijncommissie halen; een interventie wel.
Twee. De methode is de reguliere. Niet een eigen weegwijze die daarnaast bestaat, en niet een eigen keurmerk dat de woorden leent van het stelsel waaraan het zich meet.
Drie. Het antwoord mag nee zijn. Dit is de voorwaarde die het vaakst wordt overgeslagen en die alles bepaalt. Door de molen gaan betekent aanvaarden dat er uit kan komen dat het niet werkt, en dat vervolgens ook zeggen. De richtlijn hierboven doet dat met zoveel woorden. Wie alleen wil integreren wanneer de uitkomst gunstig is, doet niet mee aan het proces maar aan de marketing ervan.
Vier. Geen geleende woorden. Geen hbo-conform waar hbo wordt bedoeld, geen tuchtrecht waar een lidmaatschapsregeling wordt bedoeld, geen niveau gelijk aan NLQF waar geen inschaling heeft plaatsgevonden.
Vijf. Vaststellen en verkopen zijn gescheiden. Wie de test doet, levert de oplossing niet. Dat is in de reguliere zorg geen toevallige gewoonte maar een ontwerpkeuze.
En wat betekent dat voor wat hier is onderzocht?
Hier moet ik precies zijn, want anders leest dit deel als een opening die het niet is. Leg de vier tests uit deel I langs deze voorwaarden en zij vallen af op de tweede en de derde. Er is bij geen van vier een uitgangsvraag geformuleerd, geen systematische zoektocht gedaan, geen zekerheid gegradeerd. En het bewijs dat er wél is, wijst de verkeerde kant op. Dat zijn geen openstaande vragen maar beantwoorde vragen, en het antwoord is nee.
Het centrale uitgangspunt valt af op de eerste voorwaarde. Dat het lichaam optimale concentraties nodig heeft die via voeding niet haalbaar zijn, is geen interventie maar een verklaringsmodel — en bovendien een dat bij een product niet als commerciële claim mag worden gebruikt. Het vocabulaire uit deel II valt af op de vierde. En de constructie waarin dezelfde partij test en verkoopt, valt af op de vijfde.
Dus nee: dit stuk zegt niet dat orthomoleculaire praktijk naast de reguliere zorg kan worden gezet. Het zegt dat er een deur is, dat die deur bekend is, dat anderen er doorheen zijn gegaan, en dat wie er niet doorheen gaat zich niet kan beroepen op de gedachte dat de deur er niet zou zijn.
Wat dan wél kan
Doorverwijzen zonder de methode over te nemen. Een arts hoeft niet in orthomoleculaire theorie te geloven om te weten dat iemand met vermoeidheidsklachten en het gevoel niet gehoord te zijn ergens terechtmoet. Dat is een verwijzing naar aandacht, niet naar een leer — en sinds kort is er, zoals deel IV laat zien, ook binnen de reguliere zorg een adres.
Weten wat iemand slikt. Dit is het praktische punt dat het zwaarst weegt en het minst wordt geregeld. Interacties tussen supplementen en medicatie zijn een reële kwestie, en het begint bij de vraag stellen. Daar is geen overeenstemming over werkzaamheid voor nodig.
De vraag serieus nemen zonder het antwoord over te nemen. Dat mensen naar het complementaire circuit gaan, is meestal een oordeel over wat zij elders misten. Dat oordeel is vaak terecht. Het antwoord dat zij vervolgens kregen, is dat lang niet altijd.
En één ding dat de sector zelf zou kunnen doen, en dat meer zou opleveren dan welk debat ook: één interventie kiezen en die door de gewone molen halen. Uitgangsvraag, systematische zoektocht, gradering, commentaarfase, belangen op tafel. Dat is precies wat de integratieve oncologie heeft gedaan, en het is de enige route waarlangs een complementaire interventie ooit iets anders wordt dan een overtuiging.
Verantwoording
Wat dit stuk niet is
Dit is geen dossier voor een toezichthouder en geen aanklacht. Dat is een ander genre, dat wederhoor vraagt, kwantificering, en concrete schadegevallen. Die staan hier niet, en dat is een bewuste beperking en geen omissie.
Het is ook geen oordeel over individuele behandelaars. Alles is getoetst aan documenten: wetteksten, beroepscodes, reglementen, accreditatievoorwaarden, gepubliceerde uitspraken en de wetenschappelijke publicaties achterin. Bij elke bron staat vermeld hoe ver die controle reikte — of zij in de primaire tekst is gelezen, in een weergave, of alleen op vindplaatsgegevens is geverifieerd. Wie dat materiaal anders leest, kan dat beargumenteren op dezelfde stukken, en dat is precies de bedoeling.
En het is geen pleidooi om deze praktijken te verbieden. Het is een poging om zichtbaar te maken welke regels er gelden, wie ze stelt, en wie erop toeziet. Waar dat beeld ongunstig uitvalt, komt dat door de stukken en niet door de toon.
Over de status van de bronnen
Dit stuk verlangt van anderen dat zij zeggen waarop een bewering rust. Dan hoort het dat zelf ook te doen.
Woordelijk gelezen in de primaire tekst. Verordening 1924/2006, de artikelen 1, 3, 5, 6, 10, 12, 13, 14, 20 en 28 lid 5. Het Warenwetbesluit voedingssupplementen, artikel 6 eerste en derde lid, in het Staatsblad. De Nederlandse beleidsregel over de traceerbaarheidstermijnen. De dossierplicht uit het Burgerlijk Wetboek. En de Belgische besluiten van 14 november 2003, van 22 januari 2004 en van 3 december 2023.
Gelezen in een betrouwbare weergave, niet in de officiële uitgave. De definities uit Verordening 178/2002, via een mededeling van de Europese Commissie. Artikel 8 lid 3 van Verordening 1169/2011, via een omzendbrief van het FAVV die het woordelijk citeert. Het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen, artikel 2, en artikel 20 van de Warenwet. De definitie uit de Geneesmiddelenwet, via het Staatsblad van 2007. En de artikelen 3 en 122 van de Belgische gecoördineerde wet van 10 mei 2015.
Bevestigd via toezichtsdocumenten, niet uit de wettekst zelf. Artikel 2 van Richtlijn 2002/46/EG en artikel 6 van Verordening 852/2004.
Over de organisatie. Van de beroepscode zijn twee tekstuele versies aangetroffen, beide op websites van aangesloten praktijken en geen van beide op die van de vereniging zelf. De oudere versie, getiteld Beroepscode Maatschappij ter bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOG), staat op ankecusters.nl, als bestand Beroepscode-MBOG.pdf onder /wp-content/uploads/2020/11/. Zij is integraal gelezen. Het bestand is een tekstversie van matige kwaliteit, met zetfouten die op een scan of conversie wijzen, en zonder versienummer, datum of vaststellingsbesluit. De jongere versie, getiteld MBOG beroepscode orthomoleculair* zorgverlener; MBOG behandelaar genoemd, staat op praktijkwiersma.com onder /mbog-beroepscode/. Ook deze is integraal gelezen; ook zij draagt geen versienummer, datum of vaststellingsbesluit. Dat zijn de vindplaatsen waar deze teksten publiek terug te vinden zijn; het zijn niet noodzakelijk de oorspronkelijke bronnen, en de praktijken die ze publiceren zijn hier uitsluitend als vindplaats vermeld en niet als voorwerp van het onderzoek. Een officieel vastgestelde en gedateerde versie is niet gevonden. De statuten en het huishoudelijk reglement zijn niet openbaar beschikbaar. De maatregelen en de gepubliceerde uitspraken van het tuchtcollege zijn nagezocht op de eigen site; een totaalcijfer van behandelde zaken publiceert het college niet. De positie van de accreditatie-instituten is nagezocht in hun eigen publieksinformatie.
Wat hier niet staat. Individuele gevallen, schadecijfers en namen van personen of ondernemingen. Dat is een ander genre en het vraagt ander onderzoek.
Bronnen
De wettelijke bronnen zijn op 27 juli 2026 geraadpleegd; de organisatiebronnen en de wetenschappelijke publicaties op 28 en 29 juli 2026, tenzij anders vermeld. De status per bron staat in de vorige paragraaf.
Europese regelgeving
Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, geconsolideerde versie. Gebruikt: artikel 1 lid 2, artikel 3, artikel 5 en 6, artikel 10, artikel 12, artikel 13 en 14, artikel 20 en artikel 28 lid 5.
Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Gebruikt: artikel 7 lid 3, artikel 8 lid 3 en artikel 14 over verkoop op afstand.
Verordening (EG) nr. 178/2002 tot vaststelling van de algemene beginselen van de levensmiddelenwetgeving. Gebruikt: artikel 3 lid 2 en 3, artikel 17, 18 en 19.
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne. Gebruikt: artikel 5 over procedures op basis van de HACCP-beginselen en artikel 6 over registratie.
Richtlijn 2002/46/EG betreffende voedingssupplementen, artikel 2. En Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, artikel 2 lid 2.
Europese Commissie, mededeling met richtsnoeren inzake systemen voor het beheer van de voedselveiligheid in de detailhandel, 2020.
Federatie Medisch Specialisten, adviesrapport Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 (januari 2023), en de werkwijzepagina’s van de Richtlijnendatabase over richtlijnmethodologie, GRADE en het AGREE II-instrument. Geraadpleegd op 29 juli 2026.
Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling, zoals toegepast en verantwoord in de richtlijnmodules op de Richtlijnendatabase.
Nederlandse regelgeving
Warenwetbesluit voedingssupplementen, BWBR0014814, artikel 6 eerste en derde lid. Staatsblad 2003, 125.
Warenwetbesluit informatie levensmiddelen, artikel 2, waarin overtreding van artikel 7, derde en vierde lid, van Verordening 1169/2011 strafbaar is gesteld.
Warenwet, BWBR0001969, artikel 20, over het aanprijzen van eet- en drinkwaren. Artikel 19 ziet op waren die géén eet- of drinkwaren zijn en is hier niet van toepassing.
Geneesmiddelenwet, BWBR0021505, artikel 1, over de definitie en over de samenloop met andere regelgeving.
Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 446 en 454 (WGBO), BWBR0005290.
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, BWBR0037173.
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, BWBR0006251, artikel 3, 36, 47, 48, 70 over de openbaarheid van de terechtzitting, en 96.
Beleidsregel van de ministers van VWS en LNV over de termijnen bij traceerbaarheid en melding, Staatscourant 2022, nr. 16878.
Wet NLQF, aangenomen door de Tweede Kamer op 9 april 2024 en door de Eerste Kamer op 25 juni 2024, gepubliceerd op 24 juli 2024. Met de toelichting van de Rijksoverheid en van het Nationaal Coördinatiepunt NLQF over inschaling, over het onderscheid tussen formele en non-formele kwalificaties, en over het toezicht op rechtmatig gebruik van niveauaanduidingen.
Rijksoverheid, voorlichting over de vraag wanneer een hogeronderwijsopleiding erkend is: NVAO-keurmerk, opname in het centrale register, en de vaststelling dat ook particuliere opleidingen wettelijk erkend kunnen zijn.
Belgische regelgeving
Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, artikel 3 paragraaf 1 en artikel 122.
Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, artikel 33 en 35.
Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, artikel 9.
Wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken (de wet-Colla), opgeheven eind november 2025.
Koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid, artikel 8 en 11.
Ministerieel besluit van 22 januari 2004 betreffende de modaliteiten van de meldingsplicht, gewijzigd in 2018.
Koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de modaliteiten van erkenningen, toelatingen en registraties, met de afficheringsplicht.
Koninklijk besluit van 3 december 2023 betreffende de melding van bijwerkingen in verband met het gebruik van voedingsmiddelen, artikel 2, 3 en 4.
Koninklijke besluiten van 30 mei 2021, 29 augustus 2021 en 31 augustus 2021 over nutriënten, over andere stoffen en over planten in voedingssupplementen.
Toezichthouders en beroepsorganisaties
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Handboek Voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten, en de voorlichting over registratie en HACCP.
Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Registratie, heffingen en afficheringsplicht in de B2C-sector.
Federale Overheidsdienst Volksgezondheid. Nutrivigilantie en de notificatie van voedingssupplementen.
Europese Commissie, DG SANTE. EU Register on nutrition and health claims made on foods.
Maatschappij ter Bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde. Ingezien: de actuele publiekspagina’s over de vereniging, voedingsgeneeskunde, disciplines, opleidingen, lidmaatschap en toelatingseisen, aanmelding en de klachten- en geschillenregeling, geraadpleegd op 28 en 29 juli 2026. Niet verkregen: het officieel vastgestelde beroepsprofiel, een officieel vastgestelde en gedateerde beroepscode, en de statuten en het huishoudelijk reglement.
Register Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg. Toelatingsvoorwaarden voor de kwaliteitsregisters, protocol PR 161003, versie 8.1 van 23 november 2022, met de eis van een bestaande AGB-code, de zelfwaardering door beroepsorganisaties en de omrekening van praktijkuren in studiepunten. Daarnaast de aanmeldprocedure en de publieksinformatie over vergoeding.
Stichting Tuchtrecht Complementaire Zorg. Het actuele reglement voor de tuchtrechtspraak van mei 2026, vastgesteld en in werking getreden op 6 mei 2026, is integraal gelezen. Ter vergelijking zijn ook de versies van maart 2025 en oktober 2024 gelezen; op de downloadpagina staat daarnaast nog een versie uit 2019. Alleen bij de versie met de kopregel oktober 2024 vermeldt artikel 21 een vaststellingsdatum van 6 december 2022. Gebruikt: artikel 2, 3, 6, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 20 en 21. Daarnaast de gepubliceerde uitspraken, waaronder twee zaken uit 1998 en 2002 die door voorgangerorganisaties zijn beslist.
Stichting Nederlands Register voor Opleidingen. Toelichting op de eigen accreditatie en op het gebruik van de standaarden uit het reguliere hoger onderwijs.
Centrum voor Post Initieel Onderwijs Nederland. De eigen omschrijving, de zes stappen van de toetsingsprocedure en de vertegenwoordigde stichtingen.
Stichting Kwaliteit en Toetsing Natuurgerichte Opleidingen. De pagina over particulier onderwijs en de WHW, met de eigen vaststelling dat de geaccrediteerde opleidingen geen wettelijk erkend mbo- of hbo-diploma opleveren, de passage over de software voor beroepsverenigingen, en de vermelding dat zorgverzekeraars om onafhankelijke accreditatie hebben verzocht.
Vektis. Toelichting op de AGB-registratie en op de voorwaarden om een AGB-code aan te vragen.
Ter vergelijking, beroepscodes die wél openbaar zijn: de KNMG-gedragscode voor artsen, de Code van apothekers van de KNMP, en de beroepscode van V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden. Daarnaast een openbaar overzicht van beroepscodes in de zorg waarin ook kleinere paramedische verenigingen zijn opgenomen.
KNMG. Handreiking De arts en niet-reguliere behandelwijzen, 1 april 2008, geactualiseerd op 26 mei 2022 (het colofon vermeldt januari 2018). Integraal gelezen op 29 juli 2026.
Vereniging Arts en Leefstijl. Voorwaarden, nascholing en intrekking van het Leefstijlvignet.
Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Richtlijn Leefstijl bij huidaandoeningen, 2026.
Wetenschappelijke publicaties
Seidel S, Kreutzer R, Smith D, McNeel S, Gilliss D (2001). Assessment of commercial laboratories performing hair mineral analysis. JAMA, 285(1):67-72. DOI 10.1001/jama.285.1.67, PMID 11150111. Abstract woordelijk nagelezen; volledige tekst achter een betaalmuur.
Barrett S (1985). Commercial hair analysis: science or scam? JAMA, 254(8):1041-1045. PMID 4021042. Abstract woordelijk nagelezen.
Bass DA, Hickok D, Quig D, Urek K (2002). Validity of hair mineral testing. Biological Trace Element Research, 87(1-3):1-28. DOI 10.1385/BTER:87:1-3:001, PMID 12117220. Tegenstudie; abstract woordelijk nagelezen.
Stapel SO, Asero R, Ballmer-Weber BK, e.a. (2008). Testing for IgG4 against foods is not recommended as a diagnostic tool: EAACI Task Force Report. Allergy, 63(7):793-796. DOI 10.1111/j.1398-9995.2008.01705.x, PMID 18489614. Vrij toegankelijk; samenvatting en conclusie woordelijk nagelezen.
ANBOS (10 maart 2026). Standpunt over vingerpriktesten en bloedanalyse in schoonheidssalons.
Teut M, Lüdtke R, Warning A (2006). Reliability of Enderlein’s darkfield analysis of live blood. Alternative Therapies in Health and Medicine, 12(4):36-41. PMID 16862741. Samenvatting woordelijk nagelezen; volledige tekst niet ingezien.
El-Safadi S, Tinneberg HR, von Georgi R, Münstedt K, Brück F (2005). Does dark field microscopy according to Enderlein allow for cancer diagnosis? A prospective study. Forschende Komplementärmedizin und Klassische Naturheilkunde, 12(3):148-151. Alleen de vindplaatsgegevens geverifieerd.
Porcari S, Mullish BH, Asnicar F, Ng SC, Zhao L, Hansen R, e.a. (2025). International consensus statement on microbiome testing in clinical practice. The Lancet Gastroenterology and Hepatology, 10(2):154-167. DOI 10.1016/S2468-1253(24)00311-X, PMID 39647502. Panel van negenenzestig deskundigen; samenvatting en aanbevelingen woordelijk nagelezen.
Lundh A, Lexchin J, Mintzes B, Schroll JB, Bero L (2017). Industry sponsorship and research outcome. Cochrane Database of Systematic Reviews 2017, Issue 2, Art. No. MR000033. DOI 10.1002/14651858.MR000033.pub3, PMID 28207928. Vrij toegankelijk; systematische review en meta-analyse van vijfenzeventig artikelen met in totaal 4583 studies. Samenvatting woordelijk nagelezen.
Deze lijst bevat uitsluitend publicaties die in de tekst daadwerkelijk worden gebruikt: Seidel en Barrett bij de haaranalyse, met Bass als tegenstudie; Stapel bij de IgG-test; het ANBOS-standpunt bij het levend bloedonderzoek; en Lundh bij de passage over financieringsbias. Een eerdere versie bevatte daarnaast vier publicaties die uit het bronnenapparaat van het handboek waren overgenomen en in dit stuk nergens werden aangehaald — over antioxidanten, vitamine E, hormesis en veilige bovengrenzen. Die zijn verwijderd. Ook een Duitse herhaling van het haaronderzoek uit 2002 is geschrapt: die was alleen op vindplaatsgegevens te verifiëren en niet op inhoud, en het hoofdstuk steunt zonder haar even goed. Een bronnenlijst die meer noemt dan de tekst gebruikt, wekt een dekking die er niet is. Per publicatie staat hierboven vermeld hoe ver de eigen controle reikte.
Belangenverklaring
Dit stuk beschrijft hierboven hoe een richtlijn tot stand komt, en welke belangen daarbij moeten worden verklaard. Dan geldt die maatstaf hier het eerst.
Naar het model van de code die bij richtlijnontwikkeling wordt gehanteerd, gaat het om twee soorten belangen over de afgelopen drie jaar. Directe financiële belangen: een betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, en onderzoeksfinanciering. En indirecte belangen: persoonlijke relaties met betrokken partijen, en reputatiemanagement — daaronder valt uitdrukkelijk ook het eigen belang bij de stellingname in dit stuk.
Wat hier in elk geval vermeld hoort te worden. De auteur is dermatoloog en daarmee BIG-geregistreerd, en heeft dus een positie binnen het stelsel dat in deel III als maatstaf wordt gebruikt. De auteur is betrokken bij de richtlijn Leefstijl bij huidaandoeningen waarnaar in deel IV wordt verwezen; dat is een bron waarvan hij zelf mede-auteur is. De auteur schrijft daarnaast een handboek over huid-, haar- en nagelsupplementen, waaruit een deel van het bronnenapparaat van dit stuk afkomstig is, en heeft dus een publicatiebelang bij dit onderwerp. En dit stuk richt zich kritisch op een beroepsgroep die deels in hetzelfde veld werkt; dat is een positioneel belang en geen neutrale waarneming.
Wat de auteur hier zelf moet invullen vóór publicatie: of er in de afgelopen drie jaar sprake was van betrekkingen bij, opdrachten van, sprekersvergoedingen van of onderzoeksfinanciering door fabrikanten of leveranciers van supplementen, laboratoria die de hier besproken tests aanbieden, opleidingsinstituten of beroepsverenigingen in dit veld — en zo ja, welke. Ook wanneer het antwoord op alles nee is, hoort dat er te staan, want een lege verklaring is iets anders dan een ontbrekende.
En de logica erachter, want die maakt dit meer dan een formaliteit. Een belangenverklaring bewijst niet dat een stuk klopt en zij ontkracht het ook niet. Zij verplaatst alleen de vraag van vertrouwen naar controle: de lezer weet wat de schrijver te winnen heeft en kan het stuk dáárop lezen. Dat is precies wat dit stuk van de sector verlangt — dat wie een testpakket verkoopt en het advies erbij levert, dat zichtbaar maakt. Zo’n eis is onhoudbaar wanneer zij niet ook op de eigen tekst wordt toegepast.
Nog na te zoeken vóór publicatie
Deze notitie hoort niet in de gepubliceerde versie. Zij staat hier omdat de auteur zelf de volgende punten nog nagaat, en omdat een lezer die het stuk beoordeelt moet kunnen zien welke die punten zijn.
1. De officieel vastgestelde beroepscode. Op te vragen bij de beroepsvereniging, met versienummer en vaststellingsdatum, samen met het beroepsprofiel en de actuele klachtenregeling. Zolang die ontbreken, blijft de clausule over klachten een vraag en geen conclusie, en hangen de geciteerde bepalingen aan twee ongedateerde kopieën op praktijkwebsites.
2. De vindplaats van de richtlijn. Vervang het jaartal door de module of richtlijn zoals gepubliceerd in de Richtlijnendatabase, met de autorisatiedatum die op het document zelf staat. Dit is de bron waarvan de auteur medeauteur is en daarmee de bron die het eerst zal worden nagelopen.
3. De open punten in de belangenverklaring hierboven. Betrekkingen, opdrachten, sprekersvergoedingen of onderzoeksfinanciering in de afgelopen drie jaar vanuit fabrikanten of leveranciers van supplementen, laboratoria die de besproken tests aanbieden, opleidingsinstituten of beroepsverenigingen in dit veld. Ook een ontkennend antwoord hoort te worden opgeschreven.
4. Het archiveren van de organisatiebronnen. Van elke aangehaalde webpagina een pdf met de datum zichtbaar in het bestand, met de volledige URL en het moment van opvragen erbij. De vier die het meest dragen: het tuchtreglement, de toelatingsvoorwaarden van het register, de pagina van het accreditatieplatform met de passage over de software, en de begrippenlijst van het accreditatie-instituut. Wetteksten hoeven niet te worden gearchiveerd; daarvoor volstaat artikelnummer plus peildatum.
4a. En bovenaan die archiveringslijst horen de bronnen onder punt 1b. De huidige pagina Voedingsgeneeskunde van de vereniging; de pagina waarop de therapeutische werking van supplementen wordt omschreven; de opleidingspagina met het curriculum; de pagina van het koepelregister met de bewering over normale voeding; en iedere gevonden historische versie waarin optimale concentraties, ontoereikende voeding en foliumzuur samen voorkomen. Per pagina: volledige titel, verantwoordelijke organisatie, volledige URL, raadpleegdatum, de letterlijke passage, een pdf- of archiefkopie, en de kwalificatie als broncategorie één, twee of drie.
4b. En twee historische gegevens die nu zonder bron in de tekst staan: dat Linus Pauling de term in 1968 introduceerde, en dat de Nederlandse vereniging sinds 1988 bestaat. Beide zijn afkomstig uit publieksteksten van en over de vereniging en verdienen een eigen vindplaats in de bronnenlijst.
5. De uitsprakenlijst, opnieuw en met datum. Dat is het enige punt in dit stuk dat vanzelf kan verlopen: één nieuwe gepubliceerde uitspraak over een test of een claim maakt de vaststelling onjuist. Loop de lijst vlak voor publicatie nog een keer door en noteer de datum en het aantal.
6. De vier artikelen, als het stuk extern gaat. De volledige teksten van Seidel en Barrett zitten achter een betaalmuur; de abstracts bevatten alles wat het stuk erover zegt, maar een externe publicatie verdient dat de auteur ze zelf inziet. Stapel en Lundh zijn vrij toegankelijk. De vindplaatsen:
Seidel S, Kreutzer R, Smith D, McNeel S, Gilliss D. Assessment of commercial laboratories performing hair mineral analysis. JAMA. 2001;285(1):67-72. DOI 10.1001/jama.285.1.67. PMID 11150111.
Barrett S. Commercial hair analysis: science or scam? JAMA. 1985;254(8):1041-1045. PMID 4021042. Geen DOI; het artikel dateert van vóór dat systeem.
Bass DA, Hickok D, Quig D, Urek K. Validity of hair mineral testing. Biological Trace Element Research. 2002;87(1-3):1-28. DOI 10.1385/BTER:87:1-3:001. PMID 12117220.
Stapel SO, Asero R, Ballmer-Weber BK, Knol EF, Strobel S, Vieths S, Kleine-Tebbe J; EAACI Task Force. Testing for IgG4 against foods is not recommended as a diagnostic tool. Allergy. 2008;63(7):793-796. DOI 10.1111/j.1398-9995.2008.01705.x. PMID 18489614. Vrij toegankelijk.
Lundh A, Lexchin J, Mintzes B, Schroll JB, Bero L. Industry sponsorship and research outcome. Cochrane Database of Systematic Reviews. 2017;2(2):MR000033. DOI 10.1002/14651858.MR000033.pub3. PMID 28207928. Vrij toegankelijk.
Bijlage De regelcheck
Dit blad hoort bij deel III en is bedoeld om uit te delen of zelf in te vullen. Er staat nergens een oordeel over de vraag of een methode werkt: dat is bewust. De vragen zijn te beantwoorden met ja of nee, en dat is wat ze bruikbaar maakt. Wie er tien keer nee op moet antwoorden, heeft geen discussie over wetenschap voor zich liggen maar een lijstje met werk.
De verplichtingen hangen aan de handeling en niet aan een titel, een opleiding of een lidmaatschap. Wie nergens bij is aangesloten valt er dus even goed onder, meestal zelfs met minder hulp bij het regelen ervan.
Peildatum: 27 juli 2026. De regels in blok C en D rusten op Europese verordeningen die op onderdelen worden gewijzigd. Controleer ze opnieuw voordat je dit blad breed verspreidt.
Blok A Zodra je iemand onderzoekt of gezondheidsadvies geeft
| Wat er geldt | Waar het op rust | Ja / nee / actie |
|---|---|---|
| Ik houd een dossier bij van wat ik heb onderzocht, geadviseerd en afgesproken | De wet rekent het onderzoeken en het geven van raad om iemands gezondheidstoestand te beoordelen uitdrukkelijk tot de geneeskunst | |
| Ik bewaar dat dossier twintig jaar, gerekend vanaf de laatste wijziging erin | Eén datum voor het hele dossier, niet per aantekening | |
| Mijn cliënt kan haar dossier inzien en er een afschrift van krijgen | Inzagerecht; daarvoor hoeft zij geen reden te geven | |
| Ik vraag toestemming en leg vast waarover ik heb geïnformeerd | Informed consent is pas informed als vastligt wat er is verteld | |
| Ik heb een onafhankelijke klachtenfunctionaris waar cliënten gratis terechtkunnen | Verplicht voor iedere zorgaanbieder; de wet noemt alternatieve geneeswijzen uitdrukkelijk | |
| Ik ben aangesloten bij een erkende geschilleninstantie | Die instantie oordeelt bindend binnen zes maanden en kan tot vijfentwintigduizend euro toekennen | |
| Ik weet waar ik een calamiteit meld | Bij de inspectie, die ook toezicht houdt op zelfstandigen met eigen cliënten | |
| Ik verricht geen handelingen die aan bevoegden zijn voorbehouden | Een venapunctie is er daar één van, een capillaire vingerprik doorgaans niet; die grens hangt aan bevoegdheid en bekwaamheid, niet aan beroepsgroep | |
| Ik voer geen beschermde beroepstitel en wek die indruk ook niet | Titelbescherming | |
| Ik verwerk gezondheidsgegevens volgens de privacyregels | Gezondheidsgegevens zijn een bijzondere categorie met zwaardere eisen |
Blok B Zodra je een test aanbiedt of laat uitvoeren
| Wat er geldt | Waar het op rust | Ja / nee / actie |
|---|---|---|
| Ik kan uitleggen wat deze test meet en met welke betrouwbaarheid | Zonder dat is de uitslag geen gegeven maar een indruk | |
| Ik kan aantonen dat de stap van uitslag naar advies is onderzocht | Dat een test iets meet, betekent niet dat de uitslag een ander advies rechtvaardigt | |
| Ik kan zeggen wat er zou zijn geadviseerd zónder deze test | Verschilt dat niet, dan heeft de test niets toegevoegd behalve een rekening | |
| Ik stel geen diagnose en presenteer een uitslag niet als diagnose | Ook signalering die als diagnose wordt gelezen, telt mee | |
| Ik neem geen bloed af op een wijze die is voorbehouden | Een brancheregel die een vingerprik toestaat, geldt alleen voor de leden van die branche |
Blok C Zodra je supplementen verkoopt of doorlevert
Een voedingssupplement is een levensmiddel. Wie het verkoopt is exploitant van een levensmiddelenbedrijf. Daar staat geen ondergrens bij en geen omzetdrempel.
| Wat er geldt | Waar het op rust | Ja / nee / actie |
|---|---|---|
| Ik ben geregistreerd bij de toezichthouder, per vestiging | Registratieplicht voor levensmiddelenbedrijven; in Nederland jaarlijks te bevestigen | |
| Ik heb procedures op basis van de HACCP-beginselen | Verplicht voor iedere exploitant behalve de primaire producent, ook in de detailhandel | |
| Ik kan van elk product aanwijzen bij wie ik het kocht, wanneer en hoeveel | Traceerbaarheid: één stap terug en één stap vooruit | |
| Die gegevens kan ik binnen vier uur aanleveren | De termijn die de toezichthouder hanteert | |
| Ik weet wie ik bel bij een terugroepactie, ook buiten kantooruren | Om coulance buiten kantooruren is gevraagd en die is afgewezen | |
| Ik lever geen product waarvan ik zie dat het etiket niet klopt | De maatstaf is wat jij als professional hoort te zien; wie zich als deskundige presenteert, verhoogt zijn eigen maatstaf | |
| Bij verkoop op afstand staat de verplichte etiketinformatie vóór de koop online | Alleen een foto en een prijs volstaat niet |
Blok D Zodra je iets over een product zegt of schrijft
Deze regels gelden voor elke commerciële uiting: etiket, folder, website, bericht op sociale media, kortingscode en affiliate link.
| Wat er geldt | Waar het op rust | Ja / nee / actie |
|---|---|---|
| Elke gezondheidsclaim die ik gebruik staat als toegelaten in het EU-register | Verboden tenzij toegelaten; zoeken of iets ergens verboden is, is de verkeerde vraag | |
| Een algemene uitspraak over gezondheid gaat vergezeld van een specifieke toegelaten claim | Goed voor je weerstand mag niet alleen staan | |
| Ik verbind mijn naam, titel of foto niet aan een gezondheidsclaim bij een product | Een claim mag niet verwijzen naar de aanbeveling van een individuele beroepsbeoefenaar. Dit is een verbod en geen afweging | |
| Ik beweer nergens dat gewone, gevarieerde voeding tekortschiet | Uitdrukkelijk verboden bij een supplement, zowel Europees als nationaal | |
| Ik schrijf nergens dat een product een aandoening behandelt, voorkomt of geneest, en maak daar ook geen toespelingen op | Dan is het geen claimovertreding maar een geneesmiddel zonder handelsvergunning; toespelingen tellen mee | |
| Ik kan de onderbouwing van elke claim overleggen als daarom wordt gevraagd | De bewijslast ligt bij wie de claim voert | |
| Dit alles geldt ook voor mijn affiliate links en kortingscodes | Een verwijzing met een gezondheidsuitspraak is een reclame-uiting, ook zonder eigen verkoop |
Blok E En in België
De claim- en levensmiddelenregels van blok C en D zijn Europees en dus identiek. Wat verschilt is het toezicht en, veel belangrijker, de positie van blok A en B.
| Onderwerp | Nederland | België |
|---|---|---|
| Onderzoeken en adviseren | Toegestaan; de wet regelt hoe. De strafbepaling grijpt in bij schade of een aanmerkelijke kans daarop | De geneeskunde is als geheel voorbehouden. Het gewoonlijk verrichten van handelingen die het onderzoeken van de gezondheidstoestand tot doel hebben geldt als onwettige uitoefening. Er is geen schade voor nodig |
| Het dossier | Twintig jaar vanaf de laatste wijziging, ook zonder aansluiting | Dertig tot vijftig jaar vanaf het laatste patiëntencontact, maar alleen voor erkende gezondheidszorgbeoefenaars |
| Klacht en geschil | Klachtenfunctionaris en erkende geschilleninstantie | Kwaliteitswet en Wet Patiëntenrechten, met de ombudsdienst |
| Verkoop | Registratie bij de NVWA | Registratie bij het FAVV, zichtbaar opgehangen, plus melding van bijwerkingen binnen tien werkdagen |
Twee kanttekeningen bij die eerste rij: de Belgische omschrijving is in de eigen rechtsleer omstreden, en de handhaving is beperkt. Het verschil zit vooral in de norm en veel minder in de praktijk.
Hoe dit blad bedoeld is
Wie het uitdeelt, doet er goed aan hem eerst zelf in te vullen. Blok C en D gelden voor iedereen die verkoopt, ook voor de praktijk die dit stuk verspreidt.
Wie dit maakte, waar het op rust en wat er nog moet gebeuren
Afzender
| Auteur | dr. Annemie Galimont, dermatoloog |
| Uitgave van | Huidopleiding.nl, een uitgave van OG-Connect B.V., Kwadendamme · KvK 84058137 |
| Meegelezen door | Olivier Galimont, eigenaar van Huidopleiding.nl. Relatie tot de auteur: nog feitelijk in te vullen. Ook nog te vermelden: wat hij heeft gelezen — alleen taal, of ook inhoud en getallen. |
| Onafhankelijke inhoudelijke review | nog niet — zie de opmerking hieronder |
| Juridisch getoetst | nee, en dat is een bewuste keuze — zie de opmerking hieronder |
| Correcties en updates | huidopleiding.nl |
| Versie | 0.9 · concept |
| Laatst bijgewerkt | 4 augustus 2026 · afgestemd op handboek v167 en op de uitgebreide versie van het kritische stuk |
| Juridische bronnen gecontroleerd | 27 en 28 juli 2026 |
| Volgende controle | uiterlijk 28 januari 2027 |
Belangen
Deze site vraagt van anderen dat zij een belang benoemen, en dan geldt dat hier het eerst.
- Productvrij. Er is geen sponsoring van en geen samenwerking met fabrikanten of leveranciers van voedingssupplementen of cosmetica, en er worden geen producten aanbevolen. Langs deze site wordt niets verkocht.
- Richtlijnen. De auteur is als dermatoloog betrokken bij de totstandkoming van meerdere richtlijnen, waaronder de NVDV-richtlijn Leefstijl bij huidaandoeningen. Naar die richtlijn wordt in dit materiaal verwezen.
- Scholing. Huidopleiding.nl verzorgt betaalde scholing voor huidprofessionals. Dat is een commercieel belang in hetzelfde domein waarover deze site oordeelt, en verwijzingen naar scholing betreffen dat eigen aanbod.
- Eigen bronmateriaal. De getallen en wegingen komen grotendeels uit een handboek van dezelfde auteur. Waar deze site naar „het handboek” verwijst, verwijst zij dus naar eigen werk.
- De meelezer is de eigenaar. De enige persoon die deze tekst naast de auteur heeft gelezen, is de eigenaar van de uitgevende opleiding. Dat is geen toetsing van buiten en het staat er daarom bij.
Geen van deze punten maakt het gestelde onjuist. Ze staan er zodat een lezer het zelf kan wegen, wat precies is wat deze site van anderen vraagt.
Waar de getallen vandaan komen
| Wat | Bron | Peildatum |
|---|---|---|
| Veilige bovengrenzen en veilige innameniveaus | EFSA, Overview on Tolerable Upper Intake Levels — cel voor cel vergeleken op 28 juli 2026 | versie 11, aug. 2025 |
| Referentie-innames voor etikettering | Vo. (EU) 1169/2011, bijlage XIII | juli 2026 |
| Claimregels | Vo. (EG) 1924/2006, Nederlandse tekst in het Publicatieblad — art. 3, 10, 11, 12 en 14 woordelijk gelezen op 28 juli 2026 · art. 14 gewijzigd bij Vo. (EG) 109/2008 · EU-register van claims | juli 2026 |
| Uitleg en handhavingspraktijk bij claims | NVWA, Handboek voedings- en gezondheidsclaims | juli 2026 |
| Nederlandse maxima en waarschuwingsteksten | Warenwetregeling vrijstelling voedingssupplementen, art. 4 en 5 (Stcrt. 2018 nr. 47982) — woordelijk gelezen op 28 juli 2026 · Warenwetbesluit voedingssupplementen | geldend sinds 1 okt. 2018 |
| Belgische maxima en waarschuwingen | KB 30 mei 2021, bijlage 1 en art. 8 — alle 22 waarden woordelijk vergeleken op 28 juli 2026 · gewijzigd bij KB 15 december 2024, dat bijlage 1 ongemoeid laat | juli 2026 |
| Belgische aanbevolen hoeveelheden | Hoge Gezondheidsraad, advies nr. 9164 en 9174 (2015) en nr. 9285 (2016) | juli 2026 |
| Biotine-interferentie in laboratoriumbepalingen | FDA, biotin interference | juli 2026 |
| Bewijs per indicatie | Handboek Huid-, haar- en nagelsupplementen ontcijferd, versie 167, deel 7; per kaart staat het hoofdstuk en het onderzoekstype vermeld | 28 juli 2026 |
Controleer de links voordat je dit publiceert; adressen van toezichthouders verhuizen regelmatig. En let op de status van het bewijs per kaart: de weging is redactioneel en niet volgens een formele systematiek uitgevoerd.
Wat er bij de controle van 28 juli 2026 is gecorrigeerd
| Stof | Was | Is nu |
|---|---|---|
| Magnesium | 250 mg vanaf zeven maanden | Beslist na visuele controle in de bron, bevestigd vanaf versie 163 van het handboek: de bovengrens van 250 mg geldt vanaf vier jaar. Voor 7 tot 11 maanden en 1 tot 3 jaar heeft EFSA geen bovengrens vastgesteld |
| Vitamine E | Geen bovengrens vermeld | Bovengrens per leeftijd, 100 tot 300 mg; herziening loopt nog |
| Molybdeen | Geen bovengrens vermeld | 100 tot 600 µg per leeftijd |
| Boor | Geen bovengrens vermeld | 3 tot 10 mg per leeftijd |
| Mangaan | Onbekend | Veilig innameniveau, 2 tot 8 mg per leeftijd |
| Fluoride | Onbekend | Bovengrens tot 9 jaar, daarboven een veilig innameniveau van 3,3 mg (herziening 2025) |
| IJzer | Behandeld als bovengrens | Veilig innameniveau, met eigen oordeelstekst; voor kinderen onder 1 jaar alleen uit supplementen en verrijkte voeding |
| NL · maxima voor kinderen | „21 mg voor volwassenen, lagere waarden voor kinderen” | Onjuist. Artikel 4 kent één maximum per stof voor iedereen. Wat er voor kinderen bestaat zijn etiketwaarschuwingen in artikel 5, geen lagere maxima |
| NL · waarschuwing vitamine A | Boven 650 µg RE: niet geschikt tot en met 1 jaar | Boven 600 µg RE aan retinoïden: niet geschikt tot en met 3 jaar |
| NL · waarschuwing vitamine D | Ontbrak | Boven 15 µg: niet geschikt onder 1 jaar. Boven 20 µg: niet tot en met 10 jaar |
| EU · art. 12 sub c, nu ook in het stuk | Het kritische stuk beschrijft deze bepaling nog als een verbod op verwijzing naar individuele beroepsbeoefenaren | De bepaling treft ook „andere niet in artikel 11 bedoelde verenigingen”. In de tools staat dat volledig; in het stuk nog niet |
| EU · art. 12 sub c | „Verwijzing naar individuele beroepsbeoefenaren”, met de kanttekening dat beroepsverenigingen wél mogen | Het verbod treft ook andere niet in artikel 11 bedoelde verenigingen. Artikel 11 gaat specifiek over nationale medische verenigingen en liefdadigheidsinstellingen; een private vereniging in de complementaire zorg valt daar niet zonder meer onder |
| EU · art. 14 | „Claims over kinderen doorlopen een eigen procedure” | Klopt, maar dat volgt uit de wijziging bij Vo. 109/2008; de oorspronkelijke tekst van artikel 14 gaat alleen over ziekterisicobeperking. Toegevoegd: de extra etiketeis over meerdere risicofactoren |
| EU · art. 3 sub d | Als absoluut verbod weergegeven | Aangevuld met de opening die in de bepaling zelf staat: er kunnen afwijkingen worden toegestaan voor nutriënten die niet in voldoende hoeveelheden in een gevarieerde voeding voorkomen |
| Fluoride, tweede ronde | Eén grenssoort voor alle leeftijden | Het grenssoort verandert nu mee met de leeftijd: bovengrens tot en met 8 jaar, veilig innameniveau vanaf 9 jaar. De groep 7 tot 10 jaar overlapt beide en krijgt een eigen toelichting in de tool |
| EU · art. 10 lid 2 | Alleen de zin over gevarieerde voeding | Aangevuld met de drie andere verplichte vermeldingen: benodigde hoeveelheid en consumptiepatroon, wie het moet vermijden, en een waarschuwing bij overmatig gebruik |
Bij fluoride verandert niet alleen de waarde maar ook het sóórt grens met de leeftijd: tot en met acht jaar een bovengrens, vanaf negen jaar een veilig innameniveau. De tool houdt dat per leeftijdsgroep uit elkaar. Twee stoffen gebruiken bij EFSA bovendien een eigen leeftijdsindeling die niet samenvalt met de indeling hier: mangaan en fluoride. Waar de groepen elkaar overlappen is telkens de laagste van de twee waarden aangehouden, zodat de tool eerder waarschuwt dan te laat.
De Belgische kant leverde geen enkele correctie op: alle tweeëntwintig maximumwaarden en alle vier de waarschuwingsteksten kwamen woordelijk overeen met bijlage 1 en artikel 8 van het besluit. De wijziging van 15 december 2024 raakt bijlage 1 niet; zij herschrijft de notificatieprocedure en zet daarbij uitdrukkelijk in de wettekst dat het kennisgevingsnummer geen toelating, geen conformiteitsbewijs en geen erkenning van de status is.
Bijgewerkt naar versie 167 van het handboek
De tool is achtereenvolgens vergeleken met versie 162 tot en met 167 van het handboek en volgt nu v167. In versie 162 kreeg de bewijsmeter twee assen, dezelfde opzet als deze tool al hanteerde. In versie 163 zijn de punten uit de correctielijst verwerkt, waaronder de magnesiumvraag, die daar na visuele controle in de bron is beslist. In versie 166 zijn de volledige bronvermeldingen bij de bewijskaarten vastgelegd; die staan sinds v167 ongewijzigd.
| Wat | Verandering |
|---|---|
| Probiotica bij rosacea | Feitelijke correctie. De tool zei dat er geen enkel gerandomiseerd onderzoek bij mensen bestaat. Volgens het handboek is er wél één gepubliceerde gerandomiseerde studie, met verbetering door een multistammenprobioticum ná een voorafgaande antibioticakuur, plus een oudere congresmededeling. Het oordeel blijft „te weinig onderzocht”, maar de onderbouwing klopte niet meer |
| Gewichtsverlies bij psoriasis | Zekerheid van redelijk naar hoog |
| Orale collageenpeptiden | Richting van wisselend naar geen relevant voordeel: waarschijnlijk weinig tot geen effect |
| Vijf kaarten toegevoegd | Dagelijkse multivitamine bij gezonde volwassenen, hooggedoseerde antioxidanten, vitamine D bij eczeem, biotine bij haarverlies en hooggedoseerd zink bij haaruitval |
| Mangaan, fluoride, molybdeen, vitamine E, boor | Het handboek neemt de waarden nu op (mangaan 8 mg, fluoride 3,3 mg vanaf negen jaar, molybdeen 600 µg, vitamine E 300 mg, boor 3 tot 10 mg). Die stonden al zo in de tool; boek en tool lopen nu gelijk |
| Magnesium | Teruggedraaid naar 250 mg vanaf zeven maanden, zie hierboven |
Wat er vóór publicatie nog moet gebeuren
Alle grenswaarden vergelijken met de actuele EFSA-tabel.Gedaan op 28 juli 2026 tegen versie 11. Zeven waarden zijn daarbij gecorrigeerd; zie het overzicht hieronder.De nationale maxima nalezen in de regeling zelf.Gedaan op 28 juli 2026. België klopte volledig; in de Nederlandse passages zaten drie fouten, zie hieronder.- Een lezer van buiten de eigen kring zoeken voor de inhoud. Zolang dat niet is gebeurd, blijft dat hierboven zo staan.
- De publicaties die aan de bewijskaarten ten grondslag liggen opnieuw in het origineel nalezen, en per kaart rechtstreeks linken. Tot die tijd blijft de weging redactioneel en is dat per kaart zichtbaar.